In de groepsaccomodatie 'Princenhage' te Cocksdorp werd van 27 december
1997 tot 1 januari 1998 het 'Oud en Nieuw Kamp' gehou- den. Lag vorig
jaar de Waddenzee vrijwel dicht, nu beleefden we de warmste (13 C) overwintering
sinds tijden. Niet dat de LJ dit warm genoeg vond. Als of er geen broeikas
effect meer be- stond werd als het even kon de verwarming flink opgedraaid.
Koud hebben we het 's avonds dan ook niet gehad en temperaturen boven
de 25 C waren niet ongewoon. Gelukkig hadden veel mensen T-shirts meegenomen.
De eerste dag was ik niet aanwezig, waarschijnlijk zijn toen dia's van
Loeki vertoond van het het zomerkamp. Ongetwijfeld zijn de dia's van de
groene rupsen van de kleine nachtpauwoog (typische heide soort) en de
Hageheld (een dag actieve nacht- vlinder van ruigere terreinen, opsturen
die waarnemingen !) vertoond. Ook vond een excursie met Arthur plaats
waarbij bijna iedereen met meeging. Het begon in de Slufter, een oude
door-gang in de zee, matig vergelijkbaar met de vallei die ze nu in de
duinen bij Schoorl willen maken. Hier werd ook het Goudkammetje (Pectinaria
koreni) gezien. Een soort die vorig en dit jaar erg talrijk was. Deze
kokerworm bevindt zich in een korte koker die voornamelijk van zand gemaakt
is. De koker bestaat uit zeer regelmatig gerangschikte zandkorrels en
is minder dan 10 maal zo lang als breed. Erg mooi waren de glanzend gouden
graafborstels aan de kop. Na de Slufter werd via de vuurtoren en langs
het strand de tocht voortgezet.
De Tweede dag was ik ook nog bij het JNM congres te Alkmaar, wat een
uitermate goed voorbereiding voor dit kamp was. Ik heb daar veel over
Texel gehoord omdat drie van de vijf lezinghou- ders van Texel kwamen.
M.F. Leopold (NIOZ, IBN Texel) had een leuk verhaal over vogels tellen
op de Noordzee. RWS telt met een vliegtuigje waardoor de duikersoorten
sterk verstoord wor- den. Komt een vliegtuigje voorbij het telbootje van
de IBN dan vliegen alle duikers op. Voor zwarte zeeenden gold weer iets
anders. Je had in elk geval wel de nodige correcties nodig om tot goede
telresultaten te komen. Het bleek dat de Noordse stormvogels sterk toenamen
door het visafval dat achter vis- sersschepen gestort wordt. In de meeste
gevallen komt dat in de magen van deze witte vogels terecht. Vreemd is
de toename (fac- tor 300 in 50 jaar tijd) omdat maar een ei per keer gelegd
wordt en de vogels pas na 6 jaar geslachtsrijp zijn. Arthur verteld dat
deze vogels nogal stonken als je ze aan het strand vindt. Dit wordt gebruikt
als afweer, jongen zitten helemaal onder deze olie als het nest bedreigt
wordt. Ook werd een kaartje vertoond over het voorkomen van zoutwatergehaltes
in de Noordzee. Het bleek dat het zoute water van de Noordzee hele- maal
niet goed mengt met het water uit de Rijn. Het water voor de kust proeft
wel zout, maar als je als vogel een beetje oplet dan voelt dat niet zo.
Het water uit de Rijn komt haast niet verder dan 5 km uit de kust en stroomt
zo naar boven richting wadden zee. Grijze walvissen zijn uitgeroeid omdat
ze alleen in deze 'zoetwater'zone tot 5 km van de kust voorkwamen, waar
ze hun voedsel zochten. Deze soort was vanaf de kust te makkelijk te vangen.
Vispassage bij Cockdorp Verder nog een lezing over de 3 ton kostende
stekelbaarspassage in Eierland (25 vierkante km) in het het noorden van
Texel, bij Cocksdorp. Dit was een initiatief van de Texelse vogelvereni-
ging. Tegenwoordig nestelen veel Lepelaars op Texel (180 paar op de schorren
en bij de Slufter) die driedoornige stekelbaar- zen (groter dan de tiendoornige,
die niet wegtrekken uit het zoete water) eten. In het voorjaar kunnen
deze vette grote stekelbaarzen (1 gram, 15 % zwaarder en 1 cm langer dan
de in zoetwater overwinterende soortgenoten) niet meer via de goed afgesloten
gemalen de polders in. In de lente zit dan voor een gemaal enorme zwermen
stekelbaarzen die naar het zoete water willen om te paaien. De vispassage
heeft een grote lokstroom (de normale uitlaat, 6000m3) en een kleine lokstroom
die, wan- neer het gemaal stil staat, via de wet van communicerende vaten
ongeveer 60 m3 per uur zoet water loost in het voorjaar. Dit water komt
eerst uit in een bak die via een kleine buis in verbinding staat met de
wadden zee. Deze bak met een zeer hoge concentratie zoetwater, wat veel
stekelbaarzen aantrekt, wordt dan een maal per uur over de dijk heen de
polder ingezogen. In de bak is zoveel zoet water aanwezig dat al een kleurverande-
ring optreed bij de mannetjes. Ze worden rood. Omdat niet door de dijk
gegraven mocht worden zijn de buizen over de dijk heen gelegd, zodat de
zeebestendigheid niet aangetast werd. Om de hevelwerking te starten moeten
de buizen wel vacuum getrokken worden. Uit onderzoek bleek dat per jaar
70.000 stekelbaarzen en 1500 glasalen over gezet worden. Dit lage aantal
is waar- schijnlijk te wijten aan het droge voorjaar waardoor weinig lokstroom
aanwezig was. Ook werd maar 50 % van de vis in de opvangbak overgeheveld
naar de polder. Veel vis bleef achter in de bak.
Goed, na dit symposium naar Texel. Nadat ik met de telekomtaxi gebracht
was bij onze moeilijk te bereiken verblijf kon ik nog net op tijd naar
de lezing van Arthur Oosterbaan. Onderweg zagen we overal bosmuizen (de
algemeenste muis op Texel, hier zit hij zelfs IN huizen waar hij de huismuis
verdrijft, die zeldzaam is op Texel) en nog een konijn. Samen met de vogels,
en in speciaal de eiders, waren konijnen maar beperkt aanwezig op Texel.
Het gaat blijkbaar niet zo goed met de natuur. De vorige winter en de
mossel ziekte heeft blijkbaar diep op de populatie ingehakt. Later zouden
we dia's te zien krijgen van eidereenden die bij gebrek aan de tegenwoordig
zeer schaarse mosselen krabben gegeten hadden. Deze krabben bevatten parasie-
ten die het volledige maagdarm systeem van de eidereenden gaan bevolken
en zorgen voor het verhongeren van de eenden.
links
Bij Ecomare was een prettig verrassing. Een oud JNM'er (en NJN'er) werkte
sinds kort bij Ecomare. Ze was samen met Arthur op de lezing. Van Arthur kregen we
allerlei dingen
te horen over de grijze zee- honden en olie slachtoffers die moeilijk
te redden waren. Een deel is al hierboven verteld. Ecomare verzorgt uit
educatieve overwegingen o.a. jonge grijze zeehondjes die helemaal uit
de Faroer eilanden aankomen zijn drijven. Deze zeehonden met grij- ze
vacht worden in december geboren. De grijze zeehond jongen op Ecomare
waren dus zeer jong. Aangespoelde Bruinvissen, op dit moment leven in
de Noordzee maar liefst 300.000 stuks, overleven hun stranding zelden,
net als zwarte zeeeenden. Zee- koeten en alken doen het aanzienlijk beter,
ook al valt dat ook niet mee. Vrij belangrijk is dat de vogels eerst aan
hun nieuwe hok wennen voordat je ze schoonmaakt. Maak je ze meteen schoon
- wat met een bepaald schoonmaak middel wat ik gebruikte om gaslekken
bij het gaschromatografiesystemen op te sporen- dan daalde de overlevingskans
sterk. Nu overleeft ongeveer 50 % Na het schoonmaken zijn de vogels niet
alleen alle olie maar ook al het vet in de veren kwijt. Zou je ze in het
water zetten dan worden het echte onderzeebootjes. Pas na drie weken blijven
ze nog net boven water en na vier weken drijven ze weer als van- ouds.
Ook de grote aangespoelde potvissen (vrijwel altijd op de zelf- de plaats
: Vlieland en Texel) wees op een toename van deze soorten. Van bruinvissen
is aangetoond dat er geen waarnemers effect is. Zeetrektellers op de Hondsbosse
zeeweering tellen al 30 jaar zeevogels en bruinvissen en ook daar zijn,
met de zelf- de tellers die alleen wat meer grijze haren hebben, meer
bruin- vissen geteld.
De volgende dag met Marcel de Bruin en Marjolein van Leeuwen op stap
geweest. Vooral leerzaam omdat we maar een vogelboek en geen parate vogelkennis
hadden. Erg jammer want nu kwamen we niet heel goed uit de steltlopertjes.
Alles in winterkleed en de belangerijke kenmerken die dit boekje vermelde,
waren net weer niet te zien.
Voor het eerst bij Slufter, waar we met Sjoerd zijn telescoop wel uit
de meeste vogels kwamen. We zagen 5 pijlstaarten (vrouwtjes en mannetjes),
tureluurs 5 stuks, smienten tegen de honderd en vele tientallen wilde
eenden, flink wat bergeenden en wulpen (totaal vijftig), een nog een grote
groep onbekenden. Die steltlopers bleven de hele dag moeilijk.
Bij een bezoek aan het Dutch birding center kon Marcel nog wat LJ folders
kwijt. Het vermelden van de NJN in de folder bemoei- lijkt het gebruik
bij de (wat minder potentieel volle) JNM leden. Bij ons vertrek hoorde
ik nog sijsachtige geluiden uit de zwarte elzen. Toch kon ik uit de geelgroene
vogeltjes niet echt met zekerheid sijsjes halen. Helaas was de groep al
weer vooruitgesneld. Iets verderop waren nog wat koperwieken en een enkele
lijster. Bij het wad nog wat gekeken maar of die donkere vogeltjes nu
paarse strandlopers waren ? Daarna via de al eer- der genoemde vispassage
gingen we verder langs de waddenkust.
De volgende dag op stap met Loeki en Mieke. Het weer zag er niet erg
goed uit. Toch zagen we al vroeg wat op het strand zitten, dit bleken
9 strandleeuweriken te zijn, een soort die tegenwoordig toch nog wel wat
afneemt en minder gezien wordt. Ongeveer vijf jaar geleden voor het laatst
gezien. Genoeg reden voor Melchior om de camera te halen. Vervolgens hebben
we hem niet meer terug gezien. Ik hoorde later wel dat nog 11 sneeuw-
gorzen overgevlogen waren, maar dat heb ik gemist. Verder nog een gouden
kokerworm gezien, het goudkammetje, een soort die tegenwoordig erg algemeen
was maar een aantal jaren geleden helemaal niet veel aangetroffen werd.
Bij de slufter zagen we nog 2 Rosse grutto's. Hoewel we twij- felden bleek
een groep met telescoop uitsluitsel te kunnen geven. Verder nog een bonte
strandloper en allemaal aangespoel- de mosdiertjes.
Hierna gingen we op weg naar de Muy. Onderweg zagen we een mos dat zeer
algemeen is in de duinen: het duinsterretje, engels gras, zanddoddegras,
peervormige stuifzwammen, de behaarde man- netjesereprijs en akkerhoornbloem,
knopbies langs de rand en duinrus in de duinplas, vrij veel donkergroene
stevige polle- tjes buntgras, het zanddoddegras en nog wat kortmossen.
Kraak- loof (Coelocaulon aculeatum), een bruinig hoopje takjes, bleek
ook in zeer natte toestand te kraken tussen je vingers. Het is een vertakt
mos met bruine afgeplatte en fijn verdeelde uitein- den. Ook Elandgeweimos
(Cladonia foliacea) groeide er in zoden. Deze zeer kenmerkende Cladonia
krult bij droogte op. De boven- kant is groen en de onderkant, die bij
opkrullen zichtbaar wordt, is spierwit waardoor een zeer kenmerkend patroon
ont- staat. Verder het markante zandhaarmos (dik, donker en vaak met rode
dingetjes erin, antheridienbekertjes) en zelfs gaffeltand- mos, die dus
ook in de duinen voor kan komen. Vogels zagen we pas weer in De Muy (2
brilduikers, 120 riet en grauwe ganzen en een goed benaderbare drieteenstrandloper)
maar daarvoor vonden we nog braakballen van een (veld)uil. Wat an- ders
? Op Texel moeten in de winter minimaal 25 exemplaren aanwezig zijn. Hoeveel
paaltjes ik ook afgezocht heb, ik zag ze niet. In de tweede slufter nog
10 bergeenden, 160 smienten, 5 grote mantelmeeuwen, een blauwe kiek die
vlak langs kwam en 5 tureluurs. De grote groep kanoeten en pijstaarten
van gisteren waren verdwenen.
Hierna nog naar de (verlaten) tuintjes geweest bij de vuurtoren maar
hier zat niet zoveel. En zeker geen uil. Wel nog wat steenlopertjes.
Naast de zeldzame bonte mantel, een schelp die het makkelijkst te vinden
is op Texel werden ook nog veel kleine schelpjes door Loeki en mij gevonden.
Ik kwam op een ovale strandschelp uit maar Loeki dacht dat het een witte
dunschaal was.
De laaste dag vertrokken veel mensen en liet ik me met een taxi naar
de haven brengen waar vervolgens met grote moeite (6 maal aanbellen helpt,
ik zal het maar meteen vertellen) een fiets kon lenen. Hier heb ik nog
veel telescopen en vogelaars gezien die zaten te wachten op hoogwater
om de Amerikaanse goudplevier te zien. Ook leuk was een compleet bruin
valkje, het smelleken dat enkele meters boven de grond zat te vliegen.
Verder nog Rietganzen met hun donkere kop en donkere voorkant van de voor-
vleugel. Toen ik bij de plek kwam waar ik vorig jaar maanva- rentjes zag
waren alleen flink wat zwanen te zien en was een vistrap aangelegd voor
de stekelbaarsjes om een hoogteverschil van 2 m te overbruggen. De varentjes
waren vertrokken, net als de dodaar die ik weg zag vliegen. Het is de
enige fuut zonder wit op de vleugel.
In het midden van Texel waren nog kleine zwanen bij de zwan- dammerweg.
Of ze op een bietenveld of mais veld zaten kon ik niet zien. Arthur had
verteld dat deze vogels wel gewaardeerd werden door de boeren. Als de
bieten op zijn vertrekken ze namelijk zonder verder overlast te veroorzaken.
Met het Floron kamp waren hier in de knolvossestaart, harlekijn orchis,
moeraszoutgras e.d. gevonden. Nu hoorde ik er smienten en 50 stuks kleine
zwanen.
De haven van oude schild had, behalve een zeer dreigende lucht, ook nog
een drietal middelste zaagbekken (twee vrouwtjes en een mannetje) zeer
weinig eiders. Door de stenge winter van '96 en de parasieten was de vogelpopulatie
nogal aangetast. Van mensen die op de andere eilanden geweest waren (Terschelling
en Schiermonnikoog) hoorde ik dat daar ook het het aantal vogels laag
was. Ook zag ik nog een gewone fuut in winterkleed.
Terug op het vaste kreeg ik de schrik van mijn leven. Vlak bij mijn woning
hadden complete veldslagen gewoed, zo erg dat de politie er geen kaas
van luste. Iedereen die dus een beetje opgelet heeft weet dus nu hoe ik
ongeveer woon. Extra veel licht omdat alle bomen weggehaald zijn. Laat
het voorjaarszon- netje maar komen !
Andre Hospers
Groningen