John Bruinsma & Thea Spruijt
Kranswieren op Schiermonnikoog
Van 9 t/m 16 september 1995 was er een KNNV-kamp op
Schiermonnikoog. Het grootste deel van de aandacht ging uit naar
vogels, die inderdaad bij tienduizenden te zien waren. Daarnaast
keken we naar planten, met name waterplanten -waaronder
kranswieren- in plasjes en in natte duinvalleien. De eerste auteur
was in de gelegenheid om Schier half oktober wederom te bezoeken,
wat nog enige waarnemingen opleverde.
Achteraf bleken onze waarnemingen een goede aanvulling te
zijn op de vegetatiebeschrijvingen en Rode Lijst-soorten van
Schiermonnikoog in het pas verschenen KNNV-boek over kalkrijke
duinvalleien op de Waddeneilanden.
Hieronder beschrijven we de kranswier-vindplaatsen op
Schiermonnikoog en vergelijken we ze met de verzamelde eerdere
vondsten. Een week inventarisatie van plasjes in de duinen en
andere wateren heeft evenveel kranswiervondsten opgeleverd als alle
voorgaande waarnemingen.
1. Kranswieren
(Characeae)
Kranswieren (Characeae) zijn een familie grote algen met het
uiterlijk van paardestaartsoorten, zij het een slag kleiner: de
doorsnee van de 'stengel' is ongeveer tussen 1 en 3 mm. In
Nederland komen ruim 20 soorten voor, waarvan een drietal (vrij)
algemeen is. De meeste echter zijn vrij tot zeer zeldzaam, gaan
achteruit door de eutrofiring van het oppervlaktewater, en zouden
dus op een Rode Lijst belanden, als deze bestond voor
kranswieren.
Kranswieren komen uitsluitend in helder water voor. Ze worden
regelmatig aangetroffen in poeltjes in de duinen en in natte
duinvalleien; gelukkig heeft Schiermonnikoog veel van dit soort
zeer natte duinen. Veel soorten hebben specifieke milieu-eisen, die
nog niet allemaal precies bekend zijn. De meeste soorten -vooral
van het geslacht Chara- hebben een voorkeur voor kalkrijk water,
sommige prefereren brak tot zout water, maar enkele soorten van het
geslacht Nitella worden vooral in niet-verzuurde vennen en andere
weinig gebufferde wateren aangetroffen. Kranswieren koloniseren elk
jaar opnieuw de wateren, ofwel uit sporen, ofwel uit vegetatieve
delen zoals de zetmeelknopen (globulen). Dit is
soortafhankelijk.
Links
2. Voorkomen van kranswieren op
Schiermonnikoog
Het overzicht van alle kranswiervondsten op Schiermonnikoog
staat in tabel 1, de bijbehorende plaatsaanduidingen staan op
kaart1. De voornaamste bron van gegevens uit het
verleden is het overzicht van Emile Nat2. Daarnaast
hebben we dankbaar gebruik gemaakt van het archief van het Project
Plantengemeenschappen van het IBN/DLO en de database van de
kranswierdeskundige Joop van Raam (Rijksherbarium).
Tussen 18683 en 1994 waren er 24 bekende vondsten
(elke soort op een bepaalde plek in een bepaald jaar telt als 1
vondst). Wij voegen 24 waarnemingen in 1995 toe4. Vijf
daarvan zijn herhalingen van vondsten uit het verleden, de rest is
nieuw in die zin dat een bekende soort is gevonden op een nog
onbekende plaats, ofwel dat een nieuwe soort is gezien.
De vindplaatsen op Schier liggen alle in het duingebied; de
poldersloten bevatten nauwelijks water en waterplanten, laat staan
kranswieren. Ook op de kwelder zijn geen kranswieren gezien,
daarvoor is het er waarschijnlijk te zout. Er tien vindplaatsen,
waarvan sommige uit meerdere plassen bestaan. Van zes van deze
plekken waren tot op heden geen eerdere kranswier-opgaven
bekend.
De meeste van deze plekken zijn nog niet zo lang geleden
gegraven, zoals de Kooiduinenplas (een nieuwe plas
noordelijk van de Kooiplas, op de kaart plek 10) en de
zandwinplasjes bij paviljoen de Grilk niet ver van het
Johannes de Jongpad (op de kaart plek 8 en 9. Andere zijn recent
afgeschaafd c.q. geplagd bijvoorbeeld het zuidwestelijk deel van
het Groene strand bij de vuurtoren (plek 4).
De helft van de in Nederland voorkomende soorten en
variëteiten is in verleden en/of heden op Schiermonnikoog
aangetroffen. Het zijn zowel vr_ algemene soorten (Chara vulgaris
en C. globularis in verscheidene variëteiten) als de meer
zeldzame soorten Chara aspera, C. major, C. canescens en Tolypella
glomerata. Het geslacht Nitella ontbreekt. Eén soort,
Brakwaterkransblad (Chara canescens), hebben we in 1995 niet terug
kunnen vinden. Wel vonden we een nieuwe soort voor Schiermonnikoog:
Klein boomglanswier (Tolypella glomerata) op het Groene
strand (plek 4). Het is bijzonder om deze soort in het najaar
te vinden, omdat deze zeldzame soort doorgaans alleen in het
voorjaar wordt waargenomen.
Tot nu was het grootste aantal kranswiersoorten gevonden in het
Kapenglop (plek 3) de grote vallei noord-west van het dorp,
namelijk 4 taxa (soorten, variteiten) en wellicht 5 als je aanneemt
dat de aanduiding 'Badweg'(plek 2) ook bij het Kapenglop
hoort. Onze vondstmeldingen meegerekend zijn de twee soortenrijkste
vindplaatsen de Zandwinplas naast de vuilnisbelt (plek 7):
in het voorste en achterste deel tezamen5 zeven taxa
(Stekelharig kransblad=Chara major, Ruw kransblad=C. aspera en
verscheidene variëteiten van Gewoon kransblad=C. vulgaris), en
het Groene strand (plek 4) bij de vuurtoren met zes taxa
(o.a. Ruw kransblad=Chara aspera, Klein boomglanswier=Tolypella
glomerata).
3. Vegetaties met
kranswieren
Kranswieren komen op Schiermonnikoog voor in twee situaties: in
's zomers droogvallende natte duinvalleien, zoals beschreven het
vorig najaar bij de KNNV verschenen boek over de kalkrijke
duinvalleien6 en in 'permanent' waterhoudende, grotere
of kleinere plassen. Permanent zetten we maar tussen haakjes, omdat
niet zeker is dat dergelijke plassen in alle zomers water bevatten;
in droge jaren zoals 1995 valt in elk geval een deel van de
randzone droog doordat de grondwaterstand daalt tot onder
maaiveld.
We troffen bijvoorbeeld op diverse plaatsen op de bodem
vastgeplakte, verdroogde kranswieren aan waar in september al weer
30-40 cm water stond. In dit regenwater liepen de kranswieren weer
gedeeltelijk uit voor een tweede groeiperiode. We waren we met ons
kamp dus niet op de optimale tijd aanwezig: de kranswieren lagen -
nog net herkenbaar- als grijze, uitgedroogde draadjes op de
grond.
Met de net gemaaide vallei-vegetaties, zoals langs de Reddingweg
en de drogere delen van het Groene strand, zijn we slechts kort
bezig geweest. Wel hebben we de watervegetaties beschreven van de
plassen en valleidelen die (vrijwel) permanent water bevatten.
In tabel 2 staan van elke genoemde plek alle in het water
aangetroffen soorten planten met een code voor de hoeveelheid. Op
de oever groeiende soorten staan er niet in. Om misverstanden te
voorkomen: het zijn geen homogene opnames, maar samenvattende
beschrijvingen van het water als geheel.
.1. Brak en zoet
Sommige valleien liggen dicht bij zee, maar kennen niettemin
voornamelijk 'zoete' soorten doordat zoet grond- en regenwater de
vallei vult.
Slechts op een plaats kwam een echte soort van brak water voor:
Gesteelde zannichellia (Zannichellia palustris subsp. pedunculata)
groeide in de Kooiduinenplas (plek 10), een tamelijk grote
plas, enkele jaren geleden gegraven, die door een lage
duinenr_/zanddijk van de kwelder gescheiden is. Het brakke karakter
bl_kt ook uit onze waarnemingen aan het elektrisch
geleidend vermogen van het water: alleen in deze plas
was de e.g.v. groter dan 2000 µS/cm, hetgeen zeer
electrolytrijk (brak tot zout) water betekent. De plas is
vermoedelijk in de winter van 1993/'94 tijdens een stormvloed
volgelopen met zeewater. Kranswieren stonden hier zeer weinig, na
lang zoeken vonden we enkele plukjes Ruw kransblad. De plas werd
gedomineerd door Aarvederkruid (Myriophyllum spicatum) en verder
groeiden er vooral Schedefonteinkruid (Potamogeton pectinatus),
Zittende zannichellia (Zannichellia palustris subsp. pedicellata)
en draadwieren.
Zwak-brak en dus ook tamelijk electrolytr_k waren de beide
ondiepe Zandwinplasjes bij de Grilk (vindplaats 8). In de
westelijke van de twee (8b) was Ruw kransblad dominant, met in het
diepste deel Stekelharig kransblad.
.2. Jonge plassen na afschaven of
plaggen, of zandwinning
De vindplaats met de meeste kranswiersoorten is een nieuw
waterplasje in het zuidwestelijk deel van het Groene strand
(plek 4b) bij de vuurtoren. Het Groene strand is een primaire,
vlakke duinvallei die inmiddels geheel begroeid is met een dichte
vegetatie van zegge-soorten (vooral Drienervige zegge, Zwarte zegge
en Zeegroene zegge: Carex trinervis, C.nigra en C.flacca) en _le
Kruipwilg (Salix repens) en Waterpunge (Samolus valerandi) op de
natste delen. Langs de randen staan ondermeer Parnassia (Parnassia
palustris), in bloei, en Knopbies (Schoenus nigricans). De vallei
wordt jaarlijks gemaaid. Waar in september zo'n 10 cm (regen)water
stond, lag regelmatig grijsverdroogd Ruw kransblad.
In het zuidwesten was de bodem recent gedeeltelijk
afgeschaafd/geplagd. In september was de grond hier vrijwel kaal,
er was nog niets gekiemd, en de waterhoogte was 7-10 cm. Deze was
in oktober niet of nauwelijks veranderd. Wel stonden er (vindplaats
4 toen vele ongeveer 10 cm hoge kranswierplukjes. Het is zeker dat
zij in de tussenliggende vijf weken zijn gegroeid, dus ook het
Klein boomglanswier (Tolypella glomerata).
Door zandwinning is de plas bij de vuilnisbelt ontstaan.
Het achterste deel daarvan (plek 7b) was rijk aan kranswiersoorten.
Dit deel is met 60 water wat ondieper dan het voorste deel (plek
7a) dat tot 1 meter diep is. Beide delen worden in het midden
gedomineerd door Aarvederkruid, de randen zijn vrijwel geheel
begroeid met Breekbaar kransblad.
Links
.3. Typering van de
kranswiervegetaties
De kranswieren in de vegetaties varieerden van een enkel
kranswiertakje tot vrijwel gesloten matten op de bodem, en van een
tot een zestal taxa (soorten, variëteiten) per vindplaats.
In de begroeiing van de plassen zijn een aantal elementen te
onderscheiden7.
De vegetaties met veel kranswieren behoren tot diverse vormen
van het Charion fragilis (verbond van Stekelharig kransblad). Het
duidelijkst in te delen zijn vegetaties met een groot aandeel
Stekelharig kransblad: Charetum hispidae (associatie van
Stekelharig kransblad) en die met een groot aandeel Chara aspera:
Charetum asperae: associatie van Ruw kransblad. Beide komen voor in
voedselarme situaties op zandbodems, het Charetum asperae doorgaans
zonder sapropeliumlaag, het Charetum hispidae eventueel met een
dunne laag prut. Doorgaans staat het Charetum asperae in ondieper
water dan het Charetum hispidae. Ook onze waarnemingen bevestigen
dit beeld. Het aardigste voorbeeld is het westelijk plasje bij de
Grilk (plek 8b). Stekelharig kransblad komt in de diepste delen
lokaal frequent voor; het wordt omzoomd door een dik tapijt
Stekelharig kransblad (dominant).
Naast deze kranswier-associaties zijn in de poelen diverse
elementen te onderscheiden van de Potametea
(Fonteinkruiden-klasse), de Littorelletea (de Oeverkruid-klasse) en
helophyten (onder water wortelende planten wier vegetatieve organen
ten dele boven water uitsteken) van de Phragmitetea (Riet-klasse).
Tot de Fonteinkruiden-klasse horen de diverse Fonteinkruiden en
Aarvederkruid. De meeste poelen waarin de laatste soort massaal
optrad, liggen in terrein dat wordt beweid. Is het optreden van
Aarvederkruid het gevolg van eutrofiëring door het vee, naast
de in de duinen gebruikelijke eutrofiëring door
watervogels?
Binnen de Oeverkruid-klasse waren vooral soorten van het
Samolo-Littorelletum (associatie van Waterpunge en Oeverkruid)
aanwezig, waaronder beide naamgevende soorten. Deze soorten groeien
in ondiepere delen en hebben hun optimum op plaatsen die
beurtelings onder water staan en droogvallen, dus droger dan de
hier beschreven vegetaties. Door de wisselende waterstand houdt de
bodem een open karakter, waarin beide soorten, maar ook (onder
water) kranswieren kunnen kiemen en zich handhaven.
De tot de Rietklasse behorende helophyten tenslotte kunnen
worden verdeeld over twee groepen. De soorten van het Scirpetum
tabernaemontani (associatie van Ruwe Bies): Ruwe bies, mogelijk ook
Heen en Riet, zijn waarschijnlijk gekiemd in een stadium waarin de
poel brak was. De overige helofyten, die niet tot één
associatie gerekend kunnen worden (Gewone waterbies, Mattenbies en
Duinrus), kunnen zich alleen in zoeter water vestigen.
In het water van de IJsbaan (plek 5) werd met
Kikkerbeet-Kroossoorten-Vlotvaren een onverwachte combinatie
gevonden, vermoedelijk vijverplanten, aangezien ze alleen bij het
steigertje dreven.
De zegge-vegetaties die het Groene strand bij de
vuurtoren domineren wijzen erop dat de hier te verwachten
licht-basische omstandigheden door het grote aandeel regenwater een
neutraal tot lichtzuur karakter gekregen hebben (Grootjans e.a.
1995)
Links
4. Slotopmerkingen
Dit artikel beperkt zich tot die watervegetaties van
Schiermonnikoog waarin we kranswieren aantroffen in september en
oktober 1995.
In het kampverslag, dat in de KNNV-winkel ter inzage ligt, wordt
ook melding gemaakt van vochtige duinvalleien en open water waarin
deze familie afwezig was. Daarbij zijn de Kooiplas en brakke
wateren aan de oostkant van het eiland. Over het water in de polder
zwijgen wij verder: in deze zwaar overbemeste sloten is er weinig
kans op natuurwaarden; 'Schiermonnikoog - nationaal park', maar
niet in het agrarisch gedeelte.
Tenslotte: al onze waarnemingen zijn in de herfst gedaan. In
lente en voorzomer groeien er wellicht andere soorten. Bovendien
zijn er op luchtfoto nog tal van kleine watertjes in de duinen te
zien, waar wij niet geweest zijn. Een deel ervan valt 's zomers
droog: daar zal dus vóór de zomer onderzocht moeten
worden. Het Schierse duingebied kan nog onverwachte vondsten
opleveren.
Tabel 1. Overzicht van alle tot heden bekende
kranswiervondsten op Schiermonnikoog. De nummers van de plekken
corresponderen met de kaart. De getallen in de tabel zijn
jaartallen na 1900; t = tussen.
| |
|
aspera |
canes |
contr |
gl.gl. |
gl.vi. |
major |
vu.hi. |
vu.lo. |
vu.vu. |
To.gl. |
| 1 |
vallei nw van
Westerplas |
. |
. |
. |
95 |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
| 2 |
Badweg |
. |
. |
. |
. |
. |
80 |
. |
. |
80 |
. |
| 3 |
Kapenglop |
56,67,69,95 |
. |
. |
56 |
56 |
51,56,67 |
. |
. |
. |
. |
| 4a |
Groene strand8,
noordoostelijk deel |
95 |
. |
. |
95 |
. |
95 |
. |
. |
. |
. |
| 4b |
zuidwestelijk deel |
95 |
. |
95 |
95 |
. |
95 |
95 |
. |
. |
95 |
| 5 |
ijsbaan |
95 |
. |
. |
95 |
. |
51,56,95 |
. |
. |
. |
. |
| 6 |
Berkenplas |
95 |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
89,95 |
. |
| 7a |
plas naast de vuilnisbelt,
voorste deel |
. |
. |
. |
95 |
89 |
. |
. |
. |
. |
. |
| 7b |
idem, achterste deel |
95 |
. |
. |
95 |
. |
95 |
89 |
95 |
89,95 |
. |
| 8a |
zandwinplasje bij de Grilk
(oost) |
. |
. |
. |
95 |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
| 8b |
zandwinplasje bij de Grilk
(west) |
95 |
. |
. |
. |
. |
95 |
. |
. |
. |
. |
| 9 |
plak aan het eind van de
Reddingweg |
. |
. |
95 |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
| 10 |
Kooiduinenplas |
95 |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
| - |
tussen paal 6 en
79 |
. |
. |
. |
. |
73 |
. |
. |
. |
. |
. |
| - |
duinvallei |
. |
. |
1868 |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
| - |
onbekend, Atlasblok
02/36 |
51 |
69,? |
t30-74 |
. |
51 |
69 |
1868 |
. |
. |
. |
Gebruikte afkortingen in de kopregel:
aspera: Chara aspera
(Ruw kransblad)
contr : Chara contraria (Brokkelig kransblad)
gl.gl.: Chara globularis var. globularis (Breekbaar
kransblad)
gl.vi.: Chara globularis.var. virgata (Teer kransblad)
major : Chara major (Stekelharig kransblad)
vu.hi.: Chara vulgaris var. hispidula *
vu.lo.: Chara vulgaris var. longibracteata *
vu.vu.: Chara vulgaris var. vulgaris *
* alle variëteiten van C.vulgaris hebben één
nederlandse naam: Gewoon kransblad
To.gl.: Tolypella glomerata (Klein boomglanswier).
Tabel 2. In 1995 op Schiermonnikoog in open water met
kranswieren aangetroffen plantensoorten en de mate van voorkomen
(Tansley-schaal, zie toelichting) en enige fysisch-chemische
gegevens. De nummers van de plekken corresponderen met de kaart en
met tabel 1.
| |
|
aspera |
canes |
contr |
gl.gl. |
gl.vi. |
major |
vu.hi. |
vu.lo. |
vu.vu. |
To.gl. |
| 1 |
vallei nw van
Westerplas |
. |
. |
. |
95 |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
| 2 |
Badweg |
. |
. |
. |
. |
. |
80 |
. |
. |
80 |
. |
| 3 |
Kapenglop |
56,67,69,95 |
. |
. |
56 |
56 |
51,56,67 |
. |
. |
. |
. |
| 4a |
Groene strand8,
noordoostelijk deel |
95 |
. |
. |
95 |
. |
95 |
. |
. |
. |
. |
| 4b |
zuidwestelijk deel |
95 |
. |
95 |
95 |
. |
95 |
95 |
. |
. |
95 |
| 5 |
ijsbaan |
95 |
. |
. |
95 |
. |
51,56,95 |
. |
. |
. |
. |
| 6 |
Berkenplas |
95 |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
89,95 |
. |
| 7a |
plas naast de vuilnisbelt,
voorste deel |
. |
. |
. |
95 |
89 |
. |
. |
. |
. |
. |
| 7b |
idem, achterste deel |
95 |
. |
. |
95 |
. |
95 |
89 |
95 |
89,95 |
. |
| 8a |
zandwinplasje bij de Grilk
(oost) |
. |
. |
. |
95 |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
| 8b |
zandwinplasje bij de Grilk
(west) |
95 |
. |
. |
. |
. |
95 |
. |
. |
. |
. |
| 9 |
plak aan het eind van de
Reddingweg |
. |
. |
95 |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
| 10 |
Kooiduinenplas |
95 |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
| - |
tussen paal 6 en
79 |
. |
. |
. |
. |
73 |
. |
. |
. |
. |
. |
| - |
duinvallei |
. |
. |
1868 |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
| - |
onbekend, Atlasblok
02/36 |
51 |
69,? |
t30-74 |
. |
51 |
69 |
1868 |
. |
. |
. |
Kranswieren
| Chara
aspera |
. |
r |
o |
cd |
s |
. |
o |
. |
d |
. |
r |
Ruw kransblad |
| Chara globularis
v.glob. |
a |
r |
f |
s |
. |
cd |
cd |
f |
. |
. |
. |
Breekbaar kransblad |
| Chara
major |
. |
. |
r |
r |
. |
. |
cd |
. |
lf |
. |
. |
Stekelharig
kransblad |
| Chara
contraria |
. |
r |
r |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
r |
. |
Brokkelig kransblad |
| Chara vulg.
v.vulgaris |
. |
. |
. |
. |
r |
. |
r |
. |
. |
. |
. |
Gewoon kransblad
(v.vulg.) |
| Chara vulg.
v.hispidula |
. |
. |
r |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
Gewoon kransblad
(v.hisp.) |
| Chara vulg.
v.longibract. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
f |
. |
. |
. |
. |
Gewoon kransblad
(v.long.) |
| Tolypella
glomerata |
. |
. |
o |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
Klein boomglanswier |
Links
Overige soorten
| |
. |
cd |
. |
cd |
. |
. |
. |
la |
a |
f |
f |
Draadwier |
| Myriophyllum
spicatum |
a |
cd |
. |
s |
r |
cd |
cd |
. |
. |
. |
d |
Aarvederkruid |
| Eleocharis palus.
s.palus. |
lf |
. |
. |
o |
. |
r |
r |
cd |
lf |
. |
. |
Gewone waterbies |
| Scirpus
maritimus |
r |
. |
. |
f |
. |
r |
. |
cd |
a |
. |
o |
Heen |
| Phragmites
australis |
r |
o |
. |
a |
. |
. |
. |
. |
lf |
. |
o |
Riet |
| Potamogeton
pectinatus |
. |
. |
. |
. |
o |
. |
s |
. |
lf |
. |
f |
Schedefonteinkruid |
| Potamogeton
pusillus |
. |
r |
. |
r |
s |
. |
r |
. |
. |
. |
. |
Tenger fonteinkruid |
| Scirpus lacust.
s.tabern. |
o |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
f |
o |
f |
. |
Ruwe bies |
| Ranunculus
aquati.+pelta. |
o |
. |
. |
. |
. |
s |
. |
. |
. |
. |
. |
Fijne + Grote
waterranonkel |
| Littorella
uniflora |
lf |
. |
. |
. |
. |
. |
o |
. |
. |
. |
. |
Oeverkruid |
| Hydrocotyle
vulgaris |
r |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
r |
. |
. |
Waternavel |
| Echinodorus
ranunculoides |
. |
. |
. |
o |
. |
. |
s |
. |
. |
. |
. |
Stijve
moerasweegbree |
| Samolus
valerandi |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
o |
. |
o |
. |
Waterpunge |
| Rumex
maritimus |
r |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
Goudzuring |
| Hippuris
vulgaris |
f |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
Lidsteng |
| Typha
latifolia |
r |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
Grote lisdodde |
| Veronica
catenata |
r |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
Rode watererprijs |
| Potamogeton
natans |
. |
. |
. |
f |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
Drijvend
fonteinkruid |
| Scirpus lacust.
s.lacust. |
. |
. |
. |
lf |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
Mattenbies s.s. |
| Polygonum
amphibium |
. |
. |
. |
. |
. |
o |
. |
. |
. |
. |
. |
Veenwortel |
| Alisma
plantago-aquat. |
. |
. |
. |
. |
. |
r |
. |
. |
. |
. |
. |
Grote waterweegbree |
| Zannichellia pal.
s.pal. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
f |
Zittende
zannichellia |
| Zannichellia pal
.s.pedic. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
s |
Gesteelde
zannichellia |
| Drepanocladus
aduncus |
. |
cd |
. |
. |
. |
|
. |
. |
. |
. |
. |
Gewoon
sikkelmos11 |
| Agrostis
stolonifera |
. |
. |
s |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
Fioringras |
| Juncus alpinoart s.
atri. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
. |
f |
. |
Duinrus s.s. |
In de ijsbaan staan ook
heel lokaal planten waarvan we aannemen dat ze uit een tuinvijver
of aquarium komen: Lemna trisulca en L.minor (Puntkroos en Klein
kroos), Hydrocharis morsus-ranae (Kikkerbeet) en Salvinia spec.
(een Vlotvaren).
maand sept = tweede
week van september (KNNV-kamp), okt = derde week van
oktober
Tansley-schaal
| s |
zeldzaam |
scarce |
f |
frequent |
frequent |
| r |
schaars/zeer
verspreid |
rare |
la |
lokaal zeer veel |
locally abundant |
| o |
hier en daar |
occasional |
la |
zeer veel |
abundant |
| lf |
plaatselijk frequent |
locally frequent |
cd |
co-dominant |
co-dominant |
| f |
frequent |
frequent |
d |
dominant |
dominant |
|