Quick link to menu (Bottom of page)

Java Who? Template created by www.r7designer.com

The watervegetation of the Roukespeelven

Watervegetatie in het Roukespeelven, 1994 - 1998.

John Bruinsma, Floris Brekelmans en Theo Teeuwen

p/a Thorbeckelaan 24, 5694 CR Breugel

Afbeelding van Roukesspeelven tijdens een excursie
 van de Bekenwerkgroep in augustus 1999. Toen was de situatie dramatisch veranderd, vrijwel
 alle kranswieren waren verdwenen. Gezien eerdere ervaringen van Emiel Brouwer wordt verwacht dat na verloop van tijd de oorspronkelijke situatie toch weer terug keert.

Links

In the summer of 1993 at a pond close Krang near Swarbroek a dike was build. In 1994 a lot of Characea were present. Already the first year after the special creationg of the two ponds 27 (and some are special) waterplants were observed. We expect that that the seeds of those special plants were already present. It seems not likely that already in the first year transport of seeds is resposible for the abundant growth. In that case the seeds should have survived a period of 20-40 years. The part of the pond that is related to the river is not special. The other part contains very specific plants.One way to preserve this characteristic pool is to remove all the trees on the border of the pond. The leaves of these broad leaved trees will harm the pond. Taking them away will prevent the leaves from falling in to the pond. A second way of improving the value of this pond is to remove the old mud on the bottom of the pond.

 

Inleiding

In de nazomer van 1993 zijn er werkzaamheden verricht aan het Roukespeelven in de Krang bij Swartbroek, eigendom van Natuurmonumenten. In 1994 bleken er veel kranswieren te groeien, reden voor Bart van Tooren (NM) om eerst- en laatstgenoemde auteur te vragen de vegetatie gaan volgen. Dit artikel doet verslag van vijf jaar onderzoek aan de watervegetatie. Dankzij onderzoek van de tweede auteur kunnen deze gegevens worden aangevuld met fysisch-chemische gegevens over water en bodem. Na het bezoek aan de Roukespeelven werd ook nog een bezoek gebracht aan de Tongelroysebeek

Het Roukespeelven is een moerassige laagte aan de rand van de Peel in een gebied datt van nature vooral ondergronds afwatert. Volgens de topografische kaart van 1850 stond er juist benedenstrooms een watermolen. Het is dus aannemelijk, dat er in het gebied dat nu het Roukespeelven is, gegraven is om zoveel mogelijk water naar de molen te leiden. Om de Peel hier te ontwateren is de Leukerbeek gegraven. In de omgeving van het Roukespeelven groeiden tot aan de ontginning in 1914 onder andere Spiranthes spiralis (Zomerschroeforchis) in massa, Scutellaria minor (Klein glidkruid), Parnassia palustris (Parnassia), Hammarbia paludosa (Veenmosorchis), Anagallis tenella (Teer guichelheil), Drosera longifolia (Lange zonnedauw) en Carum verticillatum (Kranskarwij) (schr.med. P.van den Munckhof, 1998).

Volgens dorpsbewoners was het Roukespeelven kort na de tweede wereldoorlog open water met een zandige bodem (mond.med. Toon van den Eijnde, voormalig opzichter van Natuurmonumenten in dit gebied). Voor de werkzaamheden in 1993 was het Roukespeelven volledig verland met in het midden een rietmoeras en wilgenstruweel, aan de randen een elzenbroek en hogerop een Eiken-Berkenbos. Om het ven waren populierenrijen aangeplant. In de nazomer van 1993 zijn op initiatief van de opzichter en met medewerking van waterschap Midden-Limburg de wilgen verwijderd, is het ven uitgebaggerd, het moerasbos in de omgeving gedund en zijn populieren gekapt. Tijdens het uitbaggeren was in het midden een soort stroomgeul te zien. Dit is waarschijnlijk het restant van de onderwaterbodem van het stagnant/stromende water uit de tijd dat hier nog een moeras was. Het ven is in tweeën gedeeld: een deel waar geen beekwater kan komen, ook niet bij hoog water, en een deel dat verbonden is met de Leukerbeek. Het water in deze beek is een combinatie van voedselrijk landbouwwater, inlaatwater vanuit de Zuid-Willemsvaart en riooloverstorten in Weert. We noemen het vendeel dat met de beek verbonden is het Beekven, het niet-verbonden deel het Kwelven. Beide vendelen zijn (geschat) 250 m lang, 70 m breed en, afhankelijk van de waterstand 1-1½ m diep. Een detail van Chara globularis

Aan de zuidoever van het Kwelven liggen enige slenken die alleen bij heel hoog water met het ven verbonden zijn. Deze zijn niet in de opnames meegenomen.

Methode

Vanaf nazomer 1994 t/m 1998 zijn in het Roukespeelven elk jaar in voor- en nazomer opnames gemaakt. De watervegetaties van Kwelven en Beekven werden elk afzonderlijk beschreven met de gedecimaliseerde Tansley-schaal (zie toelichting tabel 1). De vegetatie werd onderzocht door waarneming vanaf de oever, te monsteren met een hark aan een lang touw en voor zover mogelijk het ven te doorwaden. Daarnaast is in dit artikel een vegetatieopname opgenomen die gemaakt is door Gertie Arts tijdens een excursie van de Plantensociologische Kring Nederland op 17 augustus 1996.

We hebben een keer op het ven gevaren om te zien of het midden van het ven een andere vegetatie heeft dan de randen. Dat bleek niet het geval te zijn. Doordat de waterhoogte bij elk bezoek verschilt, ontstaan kleine interpretatieverschillen over welke planten tot de watervegetatie zijn te rekenen.

Ook op delen van de oevers zijn Tansley-opnames gemaakt. Het betreft vlakke, zandige delen van de oever die tussen laag en hoog water liggen. Deze oeverzones zullen in dit artikel slechts terloops aan de orde komen.

Alle hogere planten en kranswieren zijn, soms na uitvoerige correspondentie, op naam gebracht. Van alle kranswieren en van een aantal kritische soorten hogere planten is herbariummateriaal ingelegd in het Milieu Educatie Centrum in Eindhoven of in het Natuurhistorisch Museum in Maastricht. 'Draadwieren' zijn niet verder dan tot deze verzamelgroep benoemd. Glibberige algenbolletjes op waterplanten en op de bodem behoren tot Gloeotrichia pisum, een epifytisch blauwwier (schr.med. Jan Simons, algoloog aan de VU, Amsterdam.) Detail van de voortplantingsorganen van een chara

Bij elk bezoek werd bepaald: het peil van het Kwelven en van beide delen het doorzicht, de zuurgraad (pH) en het elektrisch geleidend vermogen (EGV, een maat voor de totale hoeveelheid opgeloste ionen). pH en EGV zijn ook bepaald aan de Leukerbeek en aan de vlak bij het Roukespeelven in de Leukerbeek stromende Dijkerpeellossing. De gebruikte pH-meter is een pHep van HANNA instruments met standaard-electrode. De EGV-meter is een DIST 3 van HANNA instruments, betrouwbaarheid +/- 40, automatische omrekening naar waarden bij 25° C.

Op 18-7-1995 werd een bodemmonster genomen op een plek gedomineerd door Chara major. Het monster werd dankzij de bemiddeling van Jan Simons geanalyseerd op het Lab. voor Systeemoecologie van de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Op 3 maart 1998 zijn twee bodemmonsters genomen: een van een plek met veel Nitella translucens (een notoire zacht water-soort), de ander van een plek met Chara major (een notoire hard water-soort). De bodems zijn na destructie Chara vulgaris is common in Southern part of the Netherlandsdoorgemeten op een Perklin-Elmer Atoom-Absorptie-Spectrofotometer, type 1100B. Het totaal fosfaatgehalte is colorimetrisch bepaald, het percentage stikstof op een Perklin-Elmer CHN-analyser. Ook zijn een aantal waterparameters gemeten. pH en EGV zijn gemeten met de bovengenoemde methoden. De hardheid van het water is ter plaatse bepaald door titratie met een 0.1 M HCl-oplossing. De chloriniteit is bepaald op een Sherwood Chor-O-counter, model 926. De gehaltes NO3, SO4 en NH4 zijn colorimetrisch bepaald.

Resultaten

De voornaamste gegevens zijn samengevat in vijf tabellen. Tabel 1 geeft de watervegetaties van 1994 tot 1998. In tabel 2 staan de resultaten van de eenvoudige abiotische waarnemingen zoals die bij elk bezoek genoteerd werden. In tabel 3 staan de concentraties van verschillende elementen en nutriënten. Tabel 4 geeft verscheidene parameters van het water van het Kwelven. Tabel 5 geeft gegevens over de zeldzaamheid en de mate van bedreiging van een aantal aangetroffen soorten. Chara corallina (Not present in the Roukespeelven !), just decoration.

Links

Bespreking

Kwelven

Bodem en water

Het water van het Kwelven is doorgaans zo helder dat de kleinste details op de bodem goed zichtbaar zijn. Het door ons waargenomen zomerpeil varieert ongeveer een halve meter. De zuurgraad is doorgaans tussen 7.5 en 9: zwak basisch tot basisch, hetgeen tenminste gedeeltelijk samenhangt met de activiteit van de rijkelijk aanwezige vegetatie: doordat de planten om te groeien het CO2 en de HCO3- uit het water gebruiken stijgt de pH. Het EGV wijst op matig electrolytrijk water, met name Ca, Na en Cl zijn aanwezig. De gevonden concentraties elementen en nutriënten in de bodemmonsters zijn alle laag en verschillen weinig van elkaar. De alkaliniteit van de waterlaag duidt op matig hard tot hard water.

Voor de voedselrijkdom (of relatieve -armoede) is de relatief hoge ijzerconcentratie belangrijk (tabel 3). Hierdoor slaat fosfaat neer waardoor het voor de planten niet opneembaar is (De Lyon en Roelofs, 1986). De nitraat-concentraties van bodem en water zijn hoog (tabel 3 en 4). Vrijwel alle soorten indiceren dan ook hoge nitraat-concentraties (zie tabel 1). De uitzondering is Chara major.NItella's zijn ook overduidelijk aanwezig in het Roukespeelven

Flora

In het Kwelven zijn 13 soorten en kruisingen van Fonteinkruiden waargenomen. Dit is, als er al een recordlijst van Fonteinkruidrijkdom werd bijgehouden, een topscore. Sommige Fonteinkruiden, zoals Potamogeton x sparganifolius, P. x fluitans en P. berchtoldii, waren slechts kort aanwezig. Andere daarentegen staan er elk jaar: o.a. Potamogeton x zizzi en P.gramineus.

Vijf soorten kranswieren is iets minder ongewoon; alledaags is het zeker niet. Er is waarschijnlijk geen tweede plek in Nederland waar Chara major en Nitella translucens samen voorkomen.

In Tabel 5 wordt op diverse wijzen aangegeven dat er 21 plantensoorten zeldzaam en/of kwetsbaar zijn in Nederland in het algemeen en in Limburg in het bijzonder. Deze soorten komen op drie na alleen in het Kwelven voor; deze drie hebben zijn landelijk gezien algemeen en niet bedreigd.

De planten indiceren matig hard tot hard water, hetgeen overeenkomt met de chemische gegevens. (de Lyon en Roelofs, 1986; zie tabel 1). Soorten van kalkrijke bodems en hard, kalkrijk water zoals Chara major en Potamogeton lucens (Bloemendaal en Roelofs, 1988, Van Raam c.s., 1998; zie ook tabel 1), staan hier onder hun optimum. Nitella translucens, die de laatste twee jaar opkomt, geeft de voorkeur aan zachte wateren met een laag calcium-gehalte. De soort gebruikt over het algemeen CO2 als koolstofbron. Echter, de Nitella translucens-planten in het Roukespeelven vertonen kalkbandjes, een teken van de opname van bicarbonaat (Hutchinson, 1975). Of de plant dit doet vanwege een tekort aan CO2-rijke kwel of doordat bij de hoge pH's het koolzuurgas wordt opgebruikt, is niet zeker, maar beide zouden een rol kunnen spelen. Op de bodem zien we sinds kort massaal Juncus bulbosus, die zijn koolstof uit CO2 haalt. Het is zeer wel denkbaar dat door de aanvoer van kwelwater op de bodem meer koolzuurgas aanwezig is dan in de rest van de Tijdens het bekenwerkgroep weekend werd wel Nitella hyalinea aangetroffen, niet in het Roukesspeelven maar wel noordelijker. Dit was in een bospoel op de grens van Noord-brabant en Limburg. Hier werd ook Chara major en Chara globularis gevonden. waterkolom.

 

Links

Vegetatie

De structuur van de vegetatie is op vele plaatsen min of meer dezelfde. Vrijwel de gehele waterbodem is bedekt met laag blijvende planten: Eleocharis acicularis of een van beide variëteiten van Chara globularis, later ook Juncus bulbosus. De waterkolom wordt, soms tweelagig, ingenomen door Chara major, de onderwaterbladen van de diverse Fonteinkruiden en draadwieren. Soms zijn alle onderwaterdelen van planten bedekt met algenbolletjes van Gloeotrichia pisum. Volgens Jan Simons kan dit al gebeuren in voedselrijk water en is het niet een teken van vervuiling. Het wateroppervlak wordt deels bedekt door de drijfbladeren van Fonteinkruiden, vooral Potamogeton natans. Op andere plaatsen groeien bladpakketten van Potamogeton lucens juist aan of door het oppervlak. De voornaamste uitzonderingen op deze beschrijving zijn de plekken met Elodea nuttallii en die met Myriophyllum alterniflorum; tussen deze soorten groeit weinig.

De boven geschetste opbouw wordt goed weergegeven in de Braun-Blanquet-opname van de PKN-excursie, met als kanttekeningen dat op andere plekken dezelfde soorten groeien met een grotere bedekking (van kranswieren) in de onderwaterlaag en dat op veel plekken de Potamogeton-soorten P.lucens, P.x zizii en P.gramineus elkaar meer uitsluiten dan in deze opname het geval is.


a. Nymphaeïden 20%
Potamogeton natans 2b Drijvend fonteinkruid
a. Pleustofyten <5%
Lemna minor + Klein kroos
Ondergedoken laag
Drijflaag
a. Parvopotamide laag 90%

Potamogeton lucens 2b Glanzig fonteinkruid
Potamogeton gramineus 2b Verschilbladig fonteinkruid
Chara major 2a Stekelharig kransblad
Potamogeton x zizii 2a Gegolfd fonteinkruid
Elodea nuttallii 2a Smalle waterpest
Chara globularis + Breekbaar kransblad
Myriophyllum alterniflorum + Teer vederkruid
Potamogeton acutifolius + Spits fonteinkruid
Ranunculus peltatus + Grote waterranonkel


Datum 17 augustus 1998 Oppervlak 5 x 5 m
waterdiepte 50 cm
Bodem Zwart slib
Links

Het tot een associatie benoemen van dergelijke vegetaties is niet eenvoudig, omdat er soorten samen voorkomen die elkaar gewoonlijk uitsluiten (Schaminée et al., 1995). Van bovenstaande opname met vijf Potamogeton-taxa, ligt plaatsing binnen de Potametea voor de hand. Anderzijds zijn er ook plekken met een veel grotere bedekking van beide Chara-soorten, zodat plaatsing binnen de Charetea fragilis het meest logisch is. Ook de Littorelletea, met Juncus bulbosus als kensoort en Potamogeton gramineus als kensoort van een van de associaties, is niet helemaal uit te sluiten. De Charetea komen doorgaans in veel kalkrijker water voor dan gemeten in het Roukespeelven, de Potametea in doorgaans voedselrijker water. Ranunculus peltatus (inmiddels verdwenen) en Myriophyllum alterniflorum zijn vertegenwoordigers van de zacht water-vleugel van de Potametea: de Callitricho-Potametalia. Anderzijds groeien er in grote hoeveelheden bij harder water horende soorten van de Nupharo-Potametalia als Potamogeton lucens, P.obtusifolius en P.acutifolius.

Veranderingen in flora en vegetatie

Bij de uitbundige groei in het eerste jaar (27 soorten waterplanten, bedekking 70%) was ieders verwachting dat de vegetatie wel zou instorten door overname door draadalgen en/of vertroebeling van de waterkolom door zwevende deeltjes. Vijf jaar later heeft dit verschijnsel nog niet plaatsgevonden, al leek het er in de voorzomer van 1998 wel op: veel oude planten, sterk begroeid door epifytische algen in een waterkolom waarin het zicht nauwelijks de bodem haalde. Het aantal soorten is snel afgenomen : van 27 in 1994 tot 17 nazomer 1995, daarna bleef de soortensamenstelling vrijwel stabiel. De verdwenen soorten waren, op een enkele na, in het begin alleen in kleine hoeveelheden aanwezig.

We vinden vrijwel geen nieuwe soorten, hetgeen een extra aanwijzing is dat vestiging vanuit de zaadbank is opgetreden. Nitella translucens is zo'n in kleine aantallen opkomende nieuwkomer. De massale opkomst in nazomer 1998 van Juncus bulbosus heeft ons zodanig overvallen, dat we er onzeker over zijn of we de soort niet eerder gemist hebben.

Een aantal soorten neemt toe: Elodea nuttallii, Myriophyllum alterniflorum en in 1998 Juncus bulbosus. Eleocharis acicularis neemt eerst toe en daarna drastisch af. De hoeveelheid draadwier varieert van jaar tot jaar en van seizoen tot seizoen; hetzelfde geldt voor de algenbolletjes op de planten. In 1997 komen de Fonteinkruiden in andere hoeveelheden voor dan vorige jaren: minder Potamogeton gramineus en P.lucens, meer Potamogeton x zizii. In de nazomer 1998 is de verhouding weer ongeveer zoals in de eerste jaren.

In termen van veranderende vegetaties is de beweging evenmin eenduidig. Sommige soorten van kalkrijkere situaties blijven constant (Chara major, Potamogeton lucens), andere nemen toe (P.acutifolius) of zijn verdwenen (Potamogeton obtusifolius). Dezelfde bewegingen komen ook voor bij soorten van kalkarmere situaties, zoals Juncus bulbosus en Nitella translucens (toename), Potamogeton gramineus (na een dip weer terug op bijna het oude niveau) en Nitella flexilis (verdwenen). Dezelfde lijstjes zijn te maken van soorten van voedselarmere en voedselrijkere situaties, met deels dezelfde planten als voorbeeld. Een chara soort (foto afkomstig van Keny Bressl)

Links

Beekven

Bodem en water

Het water van het Beekven is aanzienlijk troebeler dan dat van het Kwelven. De oorzaak is dat het beekwater zo voedselrijk is, dat, als het stil komt te staan, snel groeiende zwevende algen het water vertroebelen. Doordat het peil varieert met dat van de Leukerbeek, stromen bij plotselinge waterstandverhoging hele drijfvelden van in de beek uitgemaaide en losgetrokken planten het Beekven in. Overigens zijn zulke drijfvelden niet in de vegetatiebeschrijving meegenomen. De pH is ongeveer hetzelfde als die in het Kwelven, de EGV is iets hoger: electrolytrijk water. Deze waarden zijn te vergelijken met die van de Leukerbeek en de Dijkerpeellossing.

Flora

De planten indiceren voedselrijk tot zeer voedselrijk water. De veel soortenarmere vegetatie in het Beekven is, in de jaren dat er sprake was van bedekking door planten, tamelijk eenvormig. Grote massa's Elodea nuttallii overheersen de waterkolom samen met even indrukwekkende hoeveelheden draadwier. In de ondiepe delen groeide de eerste jaren veel Eleocharis acicularis. De laatste paar jaar is er al helemaal geen sprake van plantengroei. Wanneer je aanneemt dat in het Beekven dezelfde variatie aan zaden aanwezig was als in het Kwelven, kan gegist worden naar de factoren die het ontkiemen of uitlopen hebben tegengehouden. Chara's zijn vaak pioniers. Het risico bestaat dan ook dat hun biotoop droogvalt.

Veranderingen in flora en vegetatie

De situatie in het Beekven is veel minder stabiel dan die in het Kwelven. De bedekking varieert van 90 tot 0%. Een tweetal keren is er veel Hydrodictyon reticulatum (Waternetje), een groenwier dat in voedselrijke omstandigheden kan gaan woekeren. Een andere keer is Lemna minor plaatselijk abundant. In 1997 en '98 is er vrijwel geen plantengroei en stinkt het Beekven naar verrotting.

Oever

Bij niet al te hoog water is er zowel in het Beekven als in het Kwelven sprake van een uitbundige vegetatie in de oeverzone tussen laag en hoog water. Deze zone bestaat uit een soortenrijk mengsel van eenjarigen, overblijvende planten en houtigen. We noemen enkele bijzondere soorten (die inmiddels vrijwel allemaal weer verdwenen zijn): Alopecurus aequalis (Rosse vossenstaart), Carex oederi s. oederi (Dwergzegge), Echinodorus repens (Kruipende moerasweegbree), Leersia oryzoides (Rijstgras), Luronium natans (Drijvende waterweegbree), Eleogiton fluitans (Vlottende bies), Isolepis setaceus (Borstelbies) en Senecio congestus (Moerasandijvie). Ranunculus lingua (Grote boterbloem) en Veronica scutellata (Schildereprijs) komen zowel in deze oeverzone voor als in de ruige vegetatie wat hoger op de oever. Hoe dynamisch de tussenstrook is moge blijken uit het feit dat we in de nazomer soms honderden houtigen zien (Salix div. - Wilgen, Alnus glutinosa - Zwarte els), waarvan in de voorzomer daarop niets meer te vinden is. Deze dynamiek is grotendeels natuurlijk, afhankelijk van waterstandverandering, vraat en vorst.

In het Beekven is de dynamiek deels onnatuurlijk, doordat deze volledig afhankelijk is van de wensen van het waterschap (bij voorbeeld 's zomers hoog water, waardoor er geen sprake meer is van een oeverzone).

Dat ook de wijdere omgeving van het ven potenties heeft voor een interessante vegetatie moge blijken uit het hernieuwde, zij het eenmalige, optreden van Anagallis tenella (Teer guichelheil) langs het toegangspad vlak bij het ven (opgave I.Raemakers in Van der Meijden c.s., 1996). Hele fijne Nitella soort

Links

Discussie en conclusies

Already the first year after the special creationg of the two ponds 27 (and some are special) waterplants were observed. We expect that that the seeds of those special plants were already present. It seems not likely that already in the first year transport of seeds is resposible for the abundant growth. In that case the seeds should have survived a period of 20-40 years. The part of the pond that is related to the river is not special. The other part contains very specific plants.

Links

Het reeds in het eerste jaar optreden van 27 soorten -deels zeer bijzondere- waterplanten doet de vraag naar de herkomst opkomen. Het is vrijwel ondenkbaar dat transport van zaden en sporen van elders een zo massale en gevarieerde groei in het eerste seizoen na uitbaggeren kan verklaren. In poelen zonder diasporenvoorraad gaat een dergelijk transport langzaam, en bovendien is aannemelijk dat de afstand van zaadbron tot de nieuwe poel van groot belang is (Pardey, 1992). Blijft dus de mogelijkheid dat de zaden en sporen (grotendeels) het restant zijn van wat er in een vorige periode met waterplanten in het ven heeft gegroeid, aan kruisingen is ontstaan en in de loop der tijd is aangesleept. Dat zou betekenen dat de zaad- en sporenvoorraad 20-40 jaar moet hebben overleefd, hetgeen niet abnormaal is. Van wat er toen aan waterplanten stond is echter niets bekend. Omdat het Roukespeelven waarschijnlijk deel was van de lagg-zone van het veen (de randzone die in tegenstelling tot het hoogveen onder invloed staat van grondwater), zouden de aangetroffen soorten ook in het verleden in deze omgeving kunnen zijn voorgekomen. De meest veranderde omgevigsfactor is waarschijnlijk het stikstofgehalte: dat zal in het verleden niet zo hoog zijn geweest als nu onder invloed van de intensieve landbouw het geval is.

De verbinding met de beek leidt tot een instabiel systeem met planten van (extreem) voedselrijk water of een door algengroei troebele waterkolom. In het heldere water van het Kwelven groeit daarentegen een -tot heden!- geleidelijk veranderende vegetatie met planten van zwak gebufferd tot hard waterplanten. De soorten indiceren matig voedselarm tot voedselrijk water. Sommige soorten, waaronder een kranswier en verscheidene Fonteinkruid-soorten en -hybriden zijn uniek voor de regio en ver daarbuiten. Het geheel is een van de soortenrijkste laagveen-plassen van ons land.

Het lijkt onmogelijk te voorspellen hoe het Kwelven zich gaat ontwikkelen. Er is een flinke biomassa. 1995 was een jaar met veel draadwieren, in 1996 veel minder en 1997 weer meer. Nemen ooit draadwieren de zaak over, of nemen zwevende algen het voedsel en licht op, zodat er geen bodemwortelaars kunnen groeien?

Uiteraard zijn er meer van deze moerassen aan de rand van Peel die minder zuur zijn dan de Peel zelf. Mogelijk krijgen zij na uitbaggeren een vergelijkbare bijzondere pioniersituatie als het Kwelven.

Aanbevelingen

Het in tweeën delen van het ven was bedoeld als een experiment om de invloed van verschillende watertypen in het ven waar te nemen. Dit experiment mag geslaagd heten: tegenover een soortenrijke watervegetatie in het Kwelven staat een instabiele, soortenarme, bij tijden stinkende toestand in het Beekven. Ook didactisch is het experiment verantwoord: je kunt laten zien wat er gebeurt als voedselrijk beekwater komt stil te staan. Willen we het experiment 'verbonden met de beek' echt nog langer aanzien? Is het argument dat het een goede paaiplaats voor vis is, voldoende?

Het aardigste aan het Beekven is de oevervegetatie. Die gaat verloren als het waterschap andere belangen voor laat gaan en 'dus' de waterstand in de zomer verhoogt. Het afsluiten van de verbinding met de beek vergroot de kans op een veel fraaiere water- en oevervegetatie. In elk geval moet voorkomen worden dat water/slib/planten van het Beekven in het Kwelven komen, dus niet 'zo maar' de dam doorsteken. Indien er geld voor beschikbaar is, heeft het zin de bodem van het Beekven uit te baggeren na isolatie van de beek. Het lijkt het meest wijs om, ook na deze maatregelen, pas na enige jaren een kleine verbinding te maken tussen het Beekven en het Kwelven.

De oever van het Kwelven is eigenlijk maar smal: direct erachter liggen de restanten van het grote zeggen-moeras annex uitgekapt elzenbroek. Op dit moment is deze plek een ruigte met alledaagse soorten. Het komt ons voor dat daar, met al die mooie kwel, iets interessanters van te maken is, vergelijkbaar met het moeras in de Grote Moost op kanaalkwel of met de oevervegetatie van de Broekse Wielen. Bovendien zou een lagere vegetatie in de omgeving grote voordelen voor het ven kunnen hebben: minder bladinwaai en meer windwerking.

Wij hebben geen idee hoe kwetsbaar het Kwelven is voor verstoring. Het huidige evenwicht is er een met grote helderheid van de waterkolom en hoge produktie. Verstoring van dit evenwicht zou kunnen komen van bij voorbeeld (illegaal) vis uitzetten. Ook zijn wij huiverig voor het idee om het ven op te nemen in de begrazing van de omgeving, ondanks dat extensieve begrazing dichtgroeien kan voorkomen. De veebezetting wordt doorgaans afgestemd op de te beheren landvegetatie, maar zou in dit geval ook moeten worden afgestemd op de gevolgen voor het water. De verhouding tussen het aantal stuks vee en het beschikbare water is al snel zo, dat openstelling leidt tot eutrofiëring en (te vaak) opwervelen van bodemslib.

Bij het traditioneel beheer van een dergelijke laagveenplas hoorde het periodiek gebruik van de biomassa voor agrarische doelstellingen: bemesten van omliggend land met bagger en biomassa. Is een moderne variant -maaien en afvoeren van waterplanten- zinnig en haalbaar? Bij tijden liggen er in het water en op de oevers enorme massa's draadalgen en soms ook oeverplanten waarvan de wortels zijn opgegeten. Als deze afstervende biomassa een aanzienlijke bijdrage aan de voedselrijkdom van het systeem betekent, zou het goed zijn ze in de winter te verwijderen.

Links

Ons onderzoek is beperkt van opzet: goed zichtbare planten en een eerste aanzet tot fysisch/chemische metingen. Er zijn veel meer aspecten aan dit ven, interessant voor wetenschap en beheer. Zo zou onderzoek gedaan moeten worden aan de kwantiteit en kwaliteit van de kwel. Bovendien is van belang welke aan- en afvoer en opslag van voedingsstoffen er plaats vindt. Om een beter idee over de standplaats van Chara major te krijgen zou het zin hebben om het voorkomen in verschillende biotopen met elkaar te vergelijken: naast duinplassen ook laagveenplassen en petgaten (bij voorbeeld in het Labbegat in Noord-Brabant, de Wieden in Overijssel), kalkmoerassen (bijvoorbeeld in het Buitengoor bij Mol, zie o.a. Boeye en Verheyen, 1992). Ook interessant is het gedrag van de Potamogeton-hybriden: een tweetal is na korte tijd -en tegelijkertijd- verdwenen, de derde (Potamogeton zizii) is nog steeds vitaal aanwezig.

Tenslotte bevelen wij aan om andere kansrijke plaatsen aan de rand van de Peel te zoeken (bij voorbeeld het Stramprooier Broek, de Moeselpeel en 't Molentje bij Neerkant) en daar vergelijkbare maatregelen te treffen. De schatkamer die de omgeving van Weert ooit was, valt niet te reconstrueren, maar blijkbaar is het mogelijk om iets van de oude 'fine fleur' (Wilde Planten, deel 3) te voorschijn te brengen.

Dankwoord

Onze dank gaat uit naar A.L.F. van den Eijnde (voormalig beheerder) voor het gebruik van dia's, naar Jan Simons voor het analyseren van een grondmonster en naar hiervoor genoemden + Emiel Brouwer, Piet van den Munckhof, Joop van Raam en Bart van Tooren voor hun vele waardevolle commentaar op eerdere versies.

Links

Literatuur

* Bloemendaal,F.H.J.L. & J.G.M.Roelofs (red.) (1988). Waterplanten en waterkwaliteit. Natuurhistorische bibliotheek nr 45 van de Koninklijke Natuurhistorische Vereniging, Utrecht.
* Boeye,D. & R.F.Verheyen (1992). The hydrological balance of a groundwater discharge fen. Journal of hydrology, 137, p.149-363. Elsevier Scientific Publishers B.V., Amsterdam
* Bruinsma,J. & E. Nat (1996). Kranswieren in Limburg; een voorlopig overzicht. Natuurhistorisch Maandblad 85-7/8,p.155-160.
* Cortenraad,J. & T.Mulder (1998). Actualisering van de lijst van bedreigde planten in Limburg. Natuurhistorisch Maandblad 87/7, p.161-170.
* Hutchinson,G.E. (1975). A treatise on limnology. Volume III: Limnological botany. John Wiley & Sons, New York/London/Sydney/Toronto.
* Lyon,M.H.J.de & J.G.M.Roelofs (1986). Waterplanten in relatie tot waterkwaliteit en bodemgesteldheid; deel 1. Laboratorium voor Aquatische Oecologie, Katholieke Universiteit Nijmegen, Nijmegen.
* Meijden,R.van der, W.J.Holverda & H.Duistermaat (1996). Nieuwe vondsten van zeldzame planten in 1993, 1994 en (ten dele) 1995. Gorteria, 22 nr 2/3.
* Meijden,R.van der, C.L.Plate & E.J.Weeda (1989). Atlas van de Nederlandse flora, deel 3. Rijksherbarium/Hortus Botanicus, Leiden.
* Mennema,J.,A.J.Quené-Boterenbrood&C.L.Plate(red)(1980). Atlas van de Nederlandse flora, deel 1. Kosmos, Amsterdam.
* Mennema,J., A.J.Quené-Boterenbrood & C.L.Plate (1985). Atlas van de Nederlandse flora, deel 2. Bohn, Scheltema & Holkema, Utrecht.
* Ploeg,D.T.E.van der (1990). De Nederlandse breedbladige fonteinkruiden. Wetenschappelijke Mededeling KNNV nr.195. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht.
* Nat,E. et al. (1994). Historisch en actueel verspreidingsbeeld van Kranswieren in Nederland in samenhang met waterkwaliteitsfactoren. Watersysteemverkenningen 1996. RIZA werkdocument 94.148X, Lelystad + Vakgroep Oecologie en Oecotoxologie, Vrije Universiteit, Amsterdam
* Pardey,A. (1992). Vegetationsentwicklung kleiflächiger Sekundärgewässer. Untersuchungen zur Flora, Vegetation und Sukzession von Kleingewässerneuanlagen unter Berücksichtigung der Standortverhältnisse in Norddeutschland. Dissertationes botanicae, band 195. J.Cramer, Berlin-Stuttgart.
* Ploeg,D.T.E.van der (1990). De Nederlandse breedbladige fonteinkruiden. Wetenschappelijke Mededeling KNNV nr.195. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht.
* Raam,J.C.van, et al. (1998). Handboek kranswieren. Chara boek, Hilversum.
* Rensen-Bronkhorst,R. (red.) (1993). Atlas van de Flora van Eindhoven 1980-1989. KNNV afdeling Eindhoven, Eindhoven.
* Schaminée,J.H.J.,E.J.Weeda & V.Westhoff(1995). Plantengemeenschappen wateren, moerassen en natte heiden; de vegetatie van Nederland, deel 2. Opulus Press, Uppsala-Leiden.
* Weeda,E.J., R.van der Meijden & P.Bakker (1990). FLORON-Rode Lijst 1990. Gorteria 16 (1990) p. 2-26.
* Westhoff,V.et al.(1973). Wilde planten. Deel 3: de hogere gronden. Vereniging tot behoud van natuurmonumenten, 's-Graveland.
Links

Tabel 1.
Watervegetatie Roukespeelven, 1994-1998 + indicatiewaarden volgens De Lyon en Roelofs 1986

beekven kwelven
Opnamenummer 6 10 14 17 21 24 26 28     4 8 12 16 19 22 23 25 27  
Jaar 19.. 94 95 95 96 96 97 97 98 98   94 95 95 96 96 ­97 97 98 98  
Maand 08 06 09 06 08 06 08 06 08   09 06 09 06 08 06 08 06 08  
Dag 29 08 04 07 16 17 13 23 27   05 08 04 07 16 17 13 23 27  
Bed. totaal (%) 70 60 80 80 90 1 5 0 1   70 90 95 95 95 99 100­ 90 95  
Bed. helofyten (%) 1 1 0 1 0 1 0 0 1   1 0 0 0 0 0 0 1 1  
Bed. drijflaag (%) 1 1 0 1 10 0 0 0   5 5 5 20 10 40 20 15 15  
Bed. onderwaterlaag (%) 70 60 80 80 90 1 2 0 0 70 90 95 95 95 9­0 90 90 95  
Aantal soorten 10 10 11 13 11 8 8 0 2 27 23 17 17 18 16 15 18  17  

 

beekven kwelven
Opnamenummer 6 10 14 17 21 24 26 28     4 8 12 16 19 22 23 25 27
Jaar 19.. 94 95 95 96 96 97 97 98 98   94 95 95 96 96 97 97 98 98
Maand 08 06 09 06 08 06 08 06 08   09 06 09 06 08 06 08 06 08
Dag 29 08 04 07 16 17 13 23 27   05 08 04 07 16 17 13 23 27
Bed. totaal (%) 70 60 80 80 90 1 5 0 1   70 90 95 95 95 99 100 90 95
Bed. helofyten (%) 1 1 0 1 0 1 0 0 1   1 0 0 0 0 0 0 1 1
Bed. drijflaag (%) 1 1 0 1 10 0 3 0 0   5 5 5 20 10 40 20 15 15
Bed. onderwaterlaag (%) 70 60 80 80 90 1 2   0 0 70 90 95 95 95 90 90 90 95
Aantal soorten 10 10 11 13 11 8 8 0 2 27 23 17 17 18 16 15 18 17  

 

Links

 

¦ PO4- PO4- NO3- alk- alk- Fe-

¦ wat. bod. wat. wat. b.w. bod.

 

Potamogeton pusillus . 3 4 5 2 1 2 . . . . . . . . . . .   2,9 14,4 ind 3,0 13,2 235 Tenger fonteinkruid  
Ceratophyllum demersum 1 2 3 1 3 1 2 . . . . . . . . . . .   5,3 15,1 19,6 3,4 9,8 227 Grof hoornblad  
Callitriche platycarpa . 2 . . 1 1 1 . . . . . . . . . . .   0,9 15,3 ind 3,4 ind 205 Gewoon sterrekroos  
Hydrodictyon reticulatum 1 7 . . . . 7 . . . . . . . . . . .   . . . . . . Waternetje  
Elodea nuttalli 8 4 9 8 8 2 3 . . 2 2 2 4 4 5 4 4 4   1,7 12,5 ind 2,8 ind 201 Smalle waterpest  
Lemna minor 2 2 3 2 6 1 2 . . 3 2 2 . 2 1 2 1 2   1,2 12,3 ind 2,5 ind ind Klein kroos  
Draadwier 8 9 4 9 8 3 5 . . . 8 8 7 4 8 6 7 2   4,8 9,9 9,0 3,7 12,1 ind Draadwier  
Eleocharis acicularis 5 . . 6 2 2 . . . 2 2 . 2 4 5 7 4 3   0,4 6,8 ind 1,1 3,1 ind Naaldwaterbies  
Callitriche species 2 2 2 . . . . . . 2 2 . . . . . . .   . . . . . . Sterrekroos (G)  
Eleocharis palustris s. pal. 2 . . . . . . . . . . . . 1 . . 2 2   . . 9,6 . ind 77 Gewone waterbies  
Carex rostrata . . . 2 . . . . 2 . . . 1 1 . . 2 2   . . ind 0,3 0,6 52 Snavelzegge  
Myriophyllum spicatum . . 2 2 3 . . . . . . 2 . . . . . .   4,2 13,3 8,9 3,5 16,0 248 Aarvederkruid  
Chara globularis v.globularis . . . . . . . . . 7 5 7 7 7 7 6 6 8   0,3 5,4 8,9 1,7 ind 73 Breekbaar kransblad  
Chara globularis v.virgata . . . . . . . . . 7 5 7 7 7 7 6 6 5   . . . . . . Teer kransblad  
Chara major . . . . . . . . . 7 6 7 7 7 7 7 8 8   0,0 5,5 0,7 2,7 10,4 56 Stekelharig kransblad  
Potamogeton gramineus . . . . . . . . . 7 7 7 7 7 5 5 3 5   0,0 5,2 10,2 1,8 7,3 63 Ongelijkbladig fonteinkruid  
Potamogeton lucens . . . . . . . . . 5 5 5 4 5 4 3 3 5   2,4 14,5 ind 3,0 16,8 312 Glanzig fonteinkruid  
Potamogeton natans . . 1 . . . . . . 7 7 8 7 8 8 7 8 8   . . ind 1,3 3,2 ind Drijvend fonteinkruid  
Potamogeton x zizii . . . . . . . . . 5 5 5 5 5 7 7 7 7   . . . . . . Gegolfd fonteinkruid  
Potamogeton acutifolius . . . . . . . . . 3 3 4 2 2 5 1 4 6   0,4 15,2 4,5 2,3 4,9 274 Spits fonteinkruid  
Myriophyllum alterniflorum . . . . . . . . . 2 2 3 4 3 5 6 4 4   0,0 12,4 118,5 0,7 3,2 101 Teer vederkruid  
Ranunculus peltatus . . . . . . . . . 2 3 2 4 3 3 3 1 .   0,7 17,9 ind 0,7 1,8 97 Grote waterranonkel  
Gloeotrichia pisum . . . 4 . . . . . . . 8 . 5 5 3 . .   . . . . . . Algenbollen  
Potamogeton obtusifolius . . . . . . . . . 6 3 . . 1 . . . .   0,2 5,2 12,4 1,4 2,3 75 Stomp fonteinkruid  
Potamogeton x fluitans . . . . . . . . . 5 3 . . . . . . .   . . . . . . Vlottend fonteinkruid  
Nitella flexilis . . . . . . . . . 5 1 . . . . . . .   1,8 4,1 53,0 1,1 3,2 46 Buigzaam glanswier  
Potamogeton x sparganifolius . . . . . . . . . 3 4 4 . . . . . .   . . . . . . Drijvend x Ongelijkbladig fo  
Juncus bulbosus . . . . . . . . . . . . . . . . . 6   . 4,9 ind 0,3 1,1 47 Knolrus  
Nitella translucens . . . . . . . . . . . . . . 1 . 2 3   . . . . . . Doorschijnend glanswier  

In drie of minder opnames, en dan in kleine aantallen komen voor:

Beekven : Alisma plantago-aquatica 6-'96:1; Callitriche obtusangula 6-'95:2; 6-'97:1; Elodea canadensis 6-'95:3, 9-'95:3, 8-'96:1; Lemna trisulca 8-'97:1; Mentha aquatica 6-'96:2; Phragmites australis 6-'96:2, 8-'98:2; Ranunculus sceleratus 6-'96:3; Riccia fluitans 9-'95:2; 8-96:1; Schoenoplectus lacustris 8-'94:2; Sparganium emersum 9-'95:2; Spirodela polyrhiza 8-'96:1; Typha latifolia: 8-'94:2.

Kwelven : Alisma plantago-aquatica 9-'94:3, 6-'96:1; Alopecurus aequalis 6-'96:1; Calliergonella cuspidata 6-'95:2; Callitriche hamulata 9-'94:1; Hottonia palustris 9-'94:1; Iris pseudacorus 6-'96:1; Potamogeton berchtoldii 9-'94:1, 6-'95:1; Potamogeton crispus 9-'94:1; Potamogeton polygonifolius 9-'94:2; 6-'95:2; Potamogeton trichoides 6-'94:1; Salix fragilis 9-'95:1; Salix species 9-'94:1; Sparganium emersum 9-'94:2, 6-'98:1; Typha latifolia 9-'94:2. Ook juli 1995 -die dag geen opnames gemaakt- is Sagittaria sagittifolia waargenomen: 2.

toelichting

Gedecimaliseerde Tansley-schaal:
1=r: zeldzaam/rare; 2=s: schaars-zeer verspreid/scarce; 3=o: hier en daar/occasional; 4=lf: plaatselijk frekwent/locally frequent; 5=f:frekwent/frequent; 6=la: lokaal zeer veel/locally abundant; 7=a: zeer veel/abundant; 8=cd: co-dominant/co-dominant; 9=d:dominant/dominant.

PO4-wat = mediaan fosfaatgehalte in de waterlaag bij voldoende aanwezigheid van andere nutriënten (tabel 37+38)
PO4-bod = gewogen gemiddelde fosfaatgehalte van de bodem (µmol/l DW) (tabel 36)
NO3-wat = gewogen gemiddelde nitraat in de waterlaag (tabel 39)
Alk-wat = alkaliniteit van de waterlaag, meq/l (tabel 3)
Alk-bod = alkaliniteit van het bodemwater, meq/l (tabel 4)
Fe -bod = ijzergehalte van de bodem, µmol/d DW (tabel 29)
ind = indifferent, geen indicatiewaarde
tabelnummer verwijst naar De Lyon en Roelofs 1986

Links

Tabel 2.
Resultaten van eenvoudige abiotische waarnemingen, 1994-1998

  EGV pH doorzicht cm peil
Kwelven        
september 1994 270 7.9 >bodem 44
juni 1995 170 9.1 >bodem 63
juli 1995       44
september 1995 180 8.3 bodem 17
april 1996     100 41
juni 1996 140 8.8 >bodem 31
augustus 1996 170 7.5 >100 23
september 1996       42
juni 1997     >bodem 60
augustus 1997 170 8.2 >bodem 46
juni 1998 220 7.7 bodem 73
augustus 1998 180 7.2 >bodem 47

Beekven
Links

september 1994 400 7.9-8.5 > 100
juni 1995 160 7.8 80
september 1995 370 7.2 >100
juni 1996 260 9.0 >bodem
augustus 1996 320 7.8 80
juni 1997 het water van het Beekven stinkt naar verrotting
augustus 1997 380 7.4 20
juni 1998 340 7.1 20
augustus 1998 310 7.1 20

Dijkerpeellossing

september 1994 440 7.5
augustus 1997 270 7.2
augustus 1998 350 6.8

Leukerbeek

september 1994 480 7.2
augustus 1997 360 7.2
juni 1998 350 6.6

Tabel 3. Concentraties van verschillende in de bodem van het Roukespeelven aanwezige elementen en nutriënten; alle concentraties in µmol/gram drooggewicht

   Na K Ca Mg Fe Mn Tot-N Tot-P
1995-major 2 16 16 20 45,7 0,6 - 2
1998-major 7,7 39,3 32,7 30,4 83,8 1,1 114 8,0
1998-trans 2,9 25,8 18,4 23,3 56,6 0,7 35,7 2,8

Toelichting.

1995-major': monster op 18 juli 1995 op een plek waar Chara major dominant was. '1998-major' dito op 3 maart 1998. '1998-trans' op de plek met veel Nitella translucens 3 maart 1998.

Tabel 4. Verscheidene parameters van het water uit het Kwelven. Concentraties in µmol/l, alkaliniteit in meq/l

pH Alk EGV Na K Ca Mg Cl- NH4 NO3- SO4-
7,2 2 206 721 10 589 175 526 4 86 83

Links

Tabel 5. Zeldzame en/of bedreigde soorten in het Roukespeelven

  AnVLi nV ed RLLi RLNed toelichting
Potamogeton x zizii 1 4 1 4  
Potamogeton x sparganifolius 2 6 1 - inmiddels ook gezien in de Banen en in de Schoor­kuilen, Weert-Eind (Emiel Brouwer)
Potamogeton x fluitans 1 13 1 - de meeste vindplaatsen in Friesland en de kop van Overijssel
Potamogeton acutifolius 3   1 - algemener in West-Ne­derland en Oost-Frie­sland
Potamogeton obtusifolius 4   1 - tamelijk algemeen in West-Neder­land, Friesland en de Kop van Over­ijssel
Potamogeton gramineus 7   2 3 tamelijk zeldzaam in Oost-Friesland en de Kop van Overijssel
Potamogeton polygonifolius 27   3 3 meest in de duinen en op het pleisto­ceen; daar vooral in boven­lo­pen van beken en poelen op kwel­plekken
Potamogeton berchtoldii     1 - in Atlas van Nederland geen opga­ven in verband met de ver­war­ring met P.pusillus.
Potamogeton lucens 7   1 - in Nederland als geheel niet zeld­zaam
Potamogeton obtusifolius 3 1 1 - in Nederland als geheel tamelijk algemeen; derde vondst in Lim­burg; Rode Lijst Limburg 1
Myriophyllum alterniflorum 7 36 1 2  
Chara major 3     - buiten de duinen en laagveen­plas­sen in West- en Noord-Nederland zeer zeld­zaam
Nitella translucens 3 ±40   3 ook in de Banen en de Schoorkuilen, Weert-Eind). Lande­lijk lang zeldzaam geweest; recent het meest gevonden in uitgebag­gerde ven­nen met zwak gebuf­ferd water, ook wel op kwel­plek­ken aan de rand van het pleisto­ceen
Callitriche hamula­ta     2 - landelijke zeldzaamheid onbekend in verband met verwarring met andere soorten
Carex rostrata     3 - landelijk algemeen, vooral op het pleisto­ceen
Ceratophyllum demersum       2 landelijk algemeen; alleen in het Beekven
Elodea canadensis     3 - deze ooit als ernstige waterpest be­gonnen soort is op zijn retour; alleen in het Beekven
Hottonia palustris     3 - landelijk gezien algemeen
Lemna trisulca     3 - Rode Lijst Limburg 3; ook in de omgeving van Eind­hoven op de Rode Lijst geplaatst (Rensen-Bronk­horst, 1993); Alleen in het Beek­ven
Myriophyllum spicatum7     3 - landelijk algemeen
Schoenoplectus lacustris     3 - landelijk algemeen; alleen in het Beekven.

 

Links

 

Dit is een plaatje kaart van het roukespeelven

hier staat het kaartje van het ven.Fig.1 De ligging van het ven in Nederland

 

Fig.2 Kaart van het ven

 

Fig. 3 Het ven aan het begin van de werkzaamheden: dicht begroeid met riet; zomer 1993. Foto A.L.F van den Eijnde, Natuurmonumenten.

 

Fig. 4. Het ven vult zich langzaam weer met water; oktober 1993. Foto A.L.F van den Eijnde, Natuurmonumenten.

Links

Het document is eerder verschenen in Natuurhistorisch maandblad, zie ook de website van dit blad. Helaas ben ik op dit moment dit exemplaar kwijt.



Fossil and Modern Algae

Previous

Random

Next

List

Fossil and Modern Algae - Ring E-mail Previous site Random site Next site List of sites Join the ring Fossil
and Modern Algae - Ring

 




Menu:


Take me back to the top.