Quick link to menu (Bottom of page)


In the summer of 1993 at a pond close Krang near Swarbroek a dike was build. In 1994 a lot of Characea were present. Already the first year after the special creationg of the two ponds 27 (and some are special) waterplants were observed. We expect that that the seeds of those special plants were already present. It seems not likely that already in the first year transport of seeds is resposible for the abundant growth. In that case the seeds should have survived a period of 20-40 years. The part of the pond that is related to the river is not special. The other part contains very specific plants.One way to preserve this characteristic pool is to remove all the trees on the border of the pond. The leaves of these broad leaved trees will harm the pond. Taking them away will prevent the leaves from falling in to the pond. A second way of improving the value of this pond is to remove the old mud on the bottom of the pond.
In de nazomer van 1993 zijn er werkzaamheden verricht aan het
Roukespeelven in de Krang bij Swartbroek, eigendom van
Natuurmonumenten. In 1994 bleken er veel kranswieren te groeien,
reden voor Bart van Tooren (NM) om eerst- en laatstgenoemde
auteur te vragen de vegetatie gaan volgen. Dit artikel doet
verslag van vijf jaar onderzoek aan de watervegetatie. Dankzij
onderzoek van de tweede auteur kunnen deze gegevens worden
aangevuld met fysisch-chemische gegevens over water en bodem. 
Het Roukespeelven is een moerassige laagte aan de rand van de Peel in een gebied datt van nature vooral ondergronds afwatert. Volgens de topografische kaart van 1850 stond er juist benedenstrooms een watermolen. Het is dus aannemelijk, dat er in het gebied dat nu het Roukespeelven is, gegraven is om zoveel mogelijk water naar de molen te leiden. Om de Peel hier te ontwateren is de Leukerbeek gegraven. In de omgeving van het Roukespeelven groeiden tot aan de ontginning in 1914 onder andere Spiranthes spiralis (Zomerschroeforchis) in massa, Scutellaria minor (Klein glidkruid), Parnassia palustris (Parnassia), Hammarbia paludosa (Veenmosorchis), Anagallis tenella (Teer guichelheil), Drosera longifolia (Lange zonnedauw) en Carum verticillatum (Kranskarwij) (schr.med. P.van den Munckhof, 1998).
Volgens dorpsbewoners was het Roukespeelven kort na de tweede
wereldoorlog open water met een zandige bodem (mond.med. Toon van
den Eijnde, voormalig opzichter van Natuurmonumenten in dit
gebied). Voor de werkzaamheden in 1993 was het Roukespeelven
volledig verland met in het midden een rietmoeras en
wilgenstruweel, aan de randen een elzenbroek en hogerop een
Eiken-Berkenbos. Om het ven waren populierenrijen aangeplant. In
de nazomer van 1993 zijn op initiatief van de opzichter en met
medewerking van waterschap Midden-Limburg de wilgen verwijderd,
is het ven uitgebaggerd, het moerasbos in de omgeving gedund en
zijn populieren gekapt. Tijdens het uitbaggeren was in het midden
een soort stroomgeul te zien. Dit is waarschijnlijk het restant
van de onderwaterbodem van het stagnant/stromende water uit de
tijd dat hier nog een moeras was. Het ven is in tweeën gedeeld:
een deel waar geen beekwater kan komen, ook niet bij hoog water,
en een deel dat verbonden is met de Leukerbeek. Het water in deze
beek is een combinatie van voedselrijk landbouwwater, inlaatwater
vanuit de Zuid-Willemsvaart en riooloverstorten in Weert. We
noemen het vendeel dat met de beek verbonden is het Beekven,
het niet-verbonden deel het Kwelven. Beide vendelen zijn
(geschat) 250 m lang, 70 m breed en, afhankelijk van de
waterstand 1-1½ m diep. 
Aan de zuidoever van het Kwelven liggen enige slenken die alleen bij heel hoog water met het ven verbonden zijn. Deze zijn niet in de opnames meegenomen.
Methode
Vanaf nazomer 1994 t/m 1998 zijn in het Roukespeelven elk jaar in voor- en nazomer opnames gemaakt. De watervegetaties van Kwelven en Beekven werden elk afzonderlijk beschreven met de gedecimaliseerde Tansley-schaal (zie toelichting tabel 1). De vegetatie werd onderzocht door waarneming vanaf de oever, te monsteren met een hark aan een lang touw en voor zover mogelijk het ven te doorwaden. Daarnaast is in dit artikel een vegetatieopname opgenomen die gemaakt is door Gertie Arts tijdens een excursie van de Plantensociologische Kring Nederland op 17 augustus 1996.
We hebben een keer op het ven gevaren om te zien of het midden van het ven een andere vegetatie heeft dan de randen. Dat bleek niet het geval te zijn. Doordat de waterhoogte bij elk bezoek verschilt, ontstaan kleine interpretatieverschillen over welke planten tot de watervegetatie zijn te rekenen.
Ook op delen van de oevers zijn Tansley-opnames gemaakt. Het betreft vlakke, zandige delen van de oever die tussen laag en hoog water liggen. Deze oeverzones zullen in dit artikel slechts terloops aan de orde komen.
Alle hogere planten en kranswieren zijn, soms na uitvoerige
correspondentie, op naam gebracht. Van alle kranswieren en van
een aantal kritische soorten hogere planten is herbariummateriaal
ingelegd in het Milieu Educatie Centrum in Eindhoven of in het
Natuurhistorisch Museum in Maastricht. 'Draadwieren' zijn niet
verder dan tot deze verzamelgroep benoemd. Glibberige
algenbolletjes op waterplanten en op de bodem behoren tot Gloeotrichia
pisum, een epifytisch blauwwier (schr.med. Jan Simons,
algoloog aan de VU, Amsterdam.) 
Bij elk bezoek werd bepaald: het peil van het Kwelven en van beide delen het doorzicht, de zuurgraad (pH) en het elektrisch geleidend vermogen (EGV, een maat voor de totale hoeveelheid opgeloste ionen). pH en EGV zijn ook bepaald aan de Leukerbeek en aan de vlak bij het Roukespeelven in de Leukerbeek stromende Dijkerpeellossing. De gebruikte pH-meter is een pHep van HANNA instruments met standaard-electrode. De EGV-meter is een DIST 3 van HANNA instruments, betrouwbaarheid +/- 40, automatische omrekening naar waarden bij 25° C.
Op 18-7-1995 werd een bodemmonster genomen op een plek gedomineerd door Chara major. Het monster werd dankzij de bemiddeling van Jan Simons geanalyseerd op het Lab. voor Systeemoecologie van de Vrije Universiteit in Amsterdam.
Op 3 maart 1998 zijn twee bodemmonsters genomen: een van een
plek met veel Nitella translucens (een notoire zacht
water-soort), de ander van een plek met Chara major (een
notoire hard water-soort). De bodems zijn na destructie
doorgemeten op
een Perklin-Elmer Atoom-Absorptie-Spectrofotometer, type 1100B.
Het totaal fosfaatgehalte is colorimetrisch bepaald, het
percentage stikstof op een Perklin-Elmer CHN-analyser. Ook zijn
een aantal waterparameters gemeten. pH en EGV zijn gemeten met de
bovengenoemde methoden. De hardheid van het water is ter plaatse
bepaald door titratie met een 0.1 M HCl-oplossing. De
chloriniteit is bepaald op een Sherwood Chor-O-counter, model
926. De gehaltes NO3, SO4 en NH4 zijn colorimetrisch bepaald.
Resultaten
De voornaamste gegevens zijn samengevat in vijf tabellen.
Tabel 1 geeft de watervegetaties van 1994 tot 1998. In tabel 2
staan de resultaten van de eenvoudige abiotische waarnemingen
zoals die bij elk bezoek genoteerd werden. In tabel 3 staan de
concentraties van verschillende elementen en nutriënten. Tabel 4
geeft verscheidene parameters van het water van het Kwelven.
Tabel 5 geeft gegevens over de zeldzaamheid en de mate van
bedreiging van een aantal aangetroffen soorten. 
Kwelven
Bodem en water
Het water van het Kwelven is doorgaans zo helder dat de kleinste details op de bodem goed zichtbaar zijn. Het door ons waargenomen zomerpeil varieert ongeveer een halve meter. De zuurgraad is doorgaans tussen 7.5 en 9: zwak basisch tot basisch, hetgeen tenminste gedeeltelijk samenhangt met de activiteit van de rijkelijk aanwezige vegetatie: doordat de planten om te groeien het CO2 en de HCO3- uit het water gebruiken stijgt de pH. Het EGV wijst op matig electrolytrijk water, met name Ca, Na en Cl zijn aanwezig. De gevonden concentraties elementen en nutriënten in de bodemmonsters zijn alle laag en verschillen weinig van elkaar. De alkaliniteit van de waterlaag duidt op matig hard tot hard water.
Voor de voedselrijkdom (of relatieve -armoede) is de relatief
hoge ijzerconcentratie belangrijk (tabel 3). Hierdoor slaat
fosfaat neer waardoor het voor de planten niet opneembaar is (De
Lyon en Roelofs, 1986). De nitraat-concentraties van bodem en
water zijn hoog (tabel 3 en 4). Vrijwel alle soorten indiceren
dan ook hoge nitraat-concentraties (zie tabel 1). De uitzondering
is Chara major.
Flora
In het Kwelven zijn 13 soorten en kruisingen van Fonteinkruiden waargenomen. Dit is, als er al een recordlijst van Fonteinkruidrijkdom werd bijgehouden, een topscore. Sommige Fonteinkruiden, zoals Potamogeton x sparganifolius, P. x fluitans en P. berchtoldii, waren slechts kort aanwezig. Andere daarentegen staan er elk jaar: o.a. Potamogeton x zizzi en P.gramineus.
Vijf soorten kranswieren is iets minder ongewoon; alledaags is het zeker niet. Er is waarschijnlijk geen tweede plek in Nederland waar Chara major en Nitella translucens samen voorkomen.
In Tabel 5 wordt op diverse wijzen aangegeven dat er 21 plantensoorten zeldzaam en/of kwetsbaar zijn in Nederland in het algemeen en in Limburg in het bijzonder. Deze soorten komen op drie na alleen in het Kwelven voor; deze drie hebben zijn landelijk gezien algemeen en niet bedreigd.
De planten indiceren matig hard tot hard water, hetgeen
overeenkomt met de chemische gegevens. (de Lyon en Roelofs, 1986;
zie tabel 1). Soorten van kalkrijke bodems en hard, kalkrijk
water zoals Chara major en Potamogeton lucens
(Bloemendaal en Roelofs, 1988, Van Raam c.s., 1998; zie ook tabel
1), staan hier onder hun optimum. Nitella translucens, die
de laatste twee jaar opkomt, geeft de voorkeur aan zachte wateren
met een laag calcium-gehalte. De soort gebruikt over het algemeen
CO2 als koolstofbron. Echter, de Nitella translucens-planten
in het Roukespeelven vertonen kalkbandjes, een teken van de
opname van bicarbonaat (Hutchinson, 1975). Of de plant dit doet
vanwege een tekort aan CO2-rijke kwel of doordat bij de hoge pH's
het koolzuurgas wordt opgebruikt, is niet zeker, maar beide
zouden een rol kunnen spelen. Op de bodem zien we sinds kort
massaal Juncus bulbosus, die zijn koolstof uit CO2 haalt.
Het is zeer wel denkbaar dat door de aanvoer van kwelwater op de
bodem meer koolzuurgas aanwezig is dan in de rest van de
waterkolom.
Vegetatie
De structuur van de vegetatie is op vele plaatsen min of meer dezelfde. Vrijwel de gehele waterbodem is bedekt met laag blijvende planten: Eleocharis acicularis of een van beide variëteiten van Chara globularis, later ook Juncus bulbosus. De waterkolom wordt, soms tweelagig, ingenomen door Chara major, de onderwaterbladen van de diverse Fonteinkruiden en draadwieren. Soms zijn alle onderwaterdelen van planten bedekt met algenbolletjes van Gloeotrichia pisum. Volgens Jan Simons kan dit al gebeuren in voedselrijk water en is het niet een teken van vervuiling. Het wateroppervlak wordt deels bedekt door de drijfbladeren van Fonteinkruiden, vooral Potamogeton natans. Op andere plaatsen groeien bladpakketten van Potamogeton lucens juist aan of door het oppervlak. De voornaamste uitzonderingen op deze beschrijving zijn de plekken met Elodea nuttallii en die met Myriophyllum alterniflorum; tussen deze soorten groeit weinig.
De boven geschetste opbouw wordt goed weergegeven in de Braun-Blanquet-opname van de PKN-excursie, met als kanttekeningen dat op andere plekken dezelfde soorten groeien met een grotere bedekking (van kranswieren) in de onderwaterlaag en dat op veel plekken de Potamogeton-soorten P.lucens, P.x zizii en P.gramineus elkaar meer uitsluiten dan in deze opname het geval is.
a. Nymphaeïden 20%
Potamogeton natans 2b Drijvend fonteinkruid
a. Pleustofyten <5%
Lemna minor + Klein kroos
Ondergedoken laag
Drijflaag
a. Parvopotamide laag 90%
| Potamogeton
lucens |
2b |
Glanzig
fonteinkruid |
| Potamogeton
gramineus |
2b |
Verschilbladig
fonteinkruid |
| Chara
major |
2a |
Stekelharig
kransblad |
| Potamogeton
x zizii |
2a |
Gegolfd
fonteinkruid |
| Elodea
nuttallii |
2a |
Smalle
waterpest |
| Chara
globularis |
+ |
Breekbaar
kransblad |
| Myriophyllum
alterniflorum |
+ |
Teer
vederkruid |
| Potamogeton
acutifolius |
+ |
Spits
fonteinkruid |
| Ranunculus
peltatus |
+ |
Grote
waterranonkel |
Datum 17 augustus 1998 Oppervlak 5 x 5 m
waterdiepte 50 cm
Bodem Zwart slib
Links
Het tot een associatie benoemen van dergelijke vegetaties is niet eenvoudig, omdat er soorten samen voorkomen die elkaar gewoonlijk uitsluiten (Schaminée et al., 1995). Van bovenstaande opname met vijf Potamogeton-taxa, ligt plaatsing binnen de Potametea voor de hand. Anderzijds zijn er ook plekken met een veel grotere bedekking van beide Chara-soorten, zodat plaatsing binnen de Charetea fragilis het meest logisch is. Ook de Littorelletea, met Juncus bulbosus als kensoort en Potamogeton gramineus als kensoort van een van de associaties, is niet helemaal uit te sluiten. De Charetea komen doorgaans in veel kalkrijker water voor dan gemeten in het Roukespeelven, de Potametea in doorgaans voedselrijker water. Ranunculus peltatus (inmiddels verdwenen) en Myriophyllum alterniflorum zijn vertegenwoordigers van de zacht water-vleugel van de Potametea: de Callitricho-Potametalia. Anderzijds groeien er in grote hoeveelheden bij harder water horende soorten van de Nupharo-Potametalia als Potamogeton lucens, P.obtusifolius en P.acutifolius.
Veranderingen in flora en vegetatie
Bij de uitbundige groei in het eerste jaar (27 soorten waterplanten, bedekking 70%) was ieders verwachting dat de vegetatie wel zou instorten door overname door draadalgen en/of vertroebeling van de waterkolom door zwevende deeltjes. Vijf jaar later heeft dit verschijnsel nog niet plaatsgevonden, al leek het er in de voorzomer van 1998 wel op: veel oude planten, sterk begroeid door epifytische algen in een waterkolom waarin het zicht nauwelijks de bodem haalde. Het aantal soorten is snel afgenomen : van 27 in 1994 tot 17 nazomer 1995, daarna bleef de soortensamenstelling vrijwel stabiel. De verdwenen soorten waren, op een enkele na, in het begin alleen in kleine hoeveelheden aanwezig.
We vinden vrijwel geen nieuwe soorten, hetgeen een extra aanwijzing is dat vestiging vanuit de zaadbank is opgetreden. Nitella translucens is zo'n in kleine aantallen opkomende nieuwkomer. De massale opkomst in nazomer 1998 van Juncus bulbosus heeft ons zodanig overvallen, dat we er onzeker over zijn of we de soort niet eerder gemist hebben.
Een aantal soorten neemt toe: Elodea nuttallii, Myriophyllum alterniflorum en in 1998 Juncus bulbosus. Eleocharis acicularis neemt eerst toe en daarna drastisch af. De hoeveelheid draadwier varieert van jaar tot jaar en van seizoen tot seizoen; hetzelfde geldt voor de algenbolletjes op de planten. In 1997 komen de Fonteinkruiden in andere hoeveelheden voor dan vorige jaren: minder Potamogeton gramineus en P.lucens, meer Potamogeton x zizii. In de nazomer 1998 is de verhouding weer ongeveer zoals in de eerste jaren.
In termen van veranderende vegetaties is de beweging evenmin
eenduidig. Sommige soorten van kalkrijkere situaties blijven
constant (Chara major, Potamogeton lucens), andere nemen
toe (P.acutifolius) of zijn verdwenen (Potamogeton
obtusifolius). Dezelfde bewegingen komen ook voor bij soorten
van kalkarmere situaties, zoals Juncus bulbosus en Nitella
translucens (toename), Potamogeton gramineus (na een
dip weer terug op bijna het oude niveau) en Nitella flexilis
(verdwenen). Dezelfde lijstjes zijn te maken van soorten van
voedselarmere en voedselrijkere situaties, met deels dezelfde
planten als voorbeeld. 
Beekven
Bodem en water
Het water van het Beekven is aanzienlijk troebeler dan dat van het Kwelven. De oorzaak is dat het beekwater zo voedselrijk is, dat, als het stil komt te staan, snel groeiende zwevende algen het water vertroebelen. Doordat het peil varieert met dat van de Leukerbeek, stromen bij plotselinge waterstandverhoging hele drijfvelden van in de beek uitgemaaide en losgetrokken planten het Beekven in. Overigens zijn zulke drijfvelden niet in de vegetatiebeschrijving meegenomen. De pH is ongeveer hetzelfde als die in het Kwelven, de EGV is iets hoger: electrolytrijk water. Deze waarden zijn te vergelijken met die van de Leukerbeek en de Dijkerpeellossing.
Flora
De planten indiceren voedselrijk tot zeer voedselrijk water.
De veel soortenarmere vegetatie in het Beekven is, in de jaren
dat er sprake was van bedekking door planten, tamelijk eenvormig.
Grote massa's Elodea nuttallii overheersen de waterkolom
samen met even indrukwekkende hoeveelheden draadwier. In de
ondiepe delen groeide de eerste jaren veel Eleocharis
acicularis. De laatste paar jaar is er al helemaal geen
sprake van plantengroei. Wanneer je aanneemt dat in het Beekven
dezelfde variatie aan zaden aanwezig was als in het Kwelven, kan
gegist worden naar de factoren die het ontkiemen of uitlopen
hebben tegengehouden. 
Veranderingen in flora en vegetatie
De situatie in het Beekven is veel minder stabiel dan die in het Kwelven. De bedekking varieert van 90 tot 0%. Een tweetal keren is er veel Hydrodictyon reticulatum (Waternetje), een groenwier dat in voedselrijke omstandigheden kan gaan woekeren. Een andere keer is Lemna minor plaatselijk abundant. In 1997 en '98 is er vrijwel geen plantengroei en stinkt het Beekven naar verrotting.
Oever
Bij niet al te hoog water is er zowel in het Beekven als in het Kwelven sprake van een uitbundige vegetatie in de oeverzone tussen laag en hoog water. Deze zone bestaat uit een soortenrijk mengsel van eenjarigen, overblijvende planten en houtigen. We noemen enkele bijzondere soorten (die inmiddels vrijwel allemaal weer verdwenen zijn): Alopecurus aequalis (Rosse vossenstaart), Carex oederi s. oederi (Dwergzegge), Echinodorus repens (Kruipende moerasweegbree), Leersia oryzoides (Rijstgras), Luronium natans (Drijvende waterweegbree), Eleogiton fluitans (Vlottende bies), Isolepis setaceus (Borstelbies) en Senecio congestus (Moerasandijvie). Ranunculus lingua (Grote boterbloem) en Veronica scutellata (Schildereprijs) komen zowel in deze oeverzone voor als in de ruige vegetatie wat hoger op de oever. Hoe dynamisch de tussenstrook is moge blijken uit het feit dat we in de nazomer soms honderden houtigen zien (Salix div. - Wilgen, Alnus glutinosa - Zwarte els), waarvan in de voorzomer daarop niets meer te vinden is. Deze dynamiek is grotendeels natuurlijk, afhankelijk van waterstandverandering, vraat en vorst.
In het Beekven is de dynamiek deels onnatuurlijk, doordat deze volledig afhankelijk is van de wensen van het waterschap (bij voorbeeld 's zomers hoog water, waardoor er geen sprake meer is van een oeverzone).
Dat ook de wijdere omgeving van het ven potenties heeft voor
een interessante vegetatie moge blijken uit het hernieuwde, zij
het eenmalige, optreden van Anagallis tenella (Teer
guichelheil) langs het toegangspad vlak bij het ven (opgave
I.Raemakers in Van der Meijden c.s., 1996). 
Already the first year after the special creationg of the two ponds 27 (and some are special) waterplants were observed. We expect that that the seeds of those special plants were already present. It seems not likely that already in the first year transport of seeds is resposible for the abundant growth. In that case the seeds should have survived a period of 20-40 years. The part of the pond that is related to the river is not special. The other part contains very specific plants.
Het reeds in het eerste jaar optreden van 27 soorten -deels zeer bijzondere- waterplanten doet de vraag naar de herkomst opkomen. Het is vrijwel ondenkbaar dat transport van zaden en sporen van elders een zo massale en gevarieerde groei in het eerste seizoen na uitbaggeren kan verklaren. In poelen zonder diasporenvoorraad gaat een dergelijk transport langzaam, en bovendien is aannemelijk dat de afstand van zaadbron tot de nieuwe poel van groot belang is (Pardey, 1992). Blijft dus de mogelijkheid dat de zaden en sporen (grotendeels) het restant zijn van wat er in een vorige periode met waterplanten in het ven heeft gegroeid, aan kruisingen is ontstaan en in de loop der tijd is aangesleept. Dat zou betekenen dat de zaad- en sporenvoorraad 20-40 jaar moet hebben overleefd, hetgeen niet abnormaal is. Van wat er toen aan waterplanten stond is echter niets bekend. Omdat het Roukespeelven waarschijnlijk deel was van de lagg-zone van het veen (de randzone die in tegenstelling tot het hoogveen onder invloed staat van grondwater), zouden de aangetroffen soorten ook in het verleden in deze omgeving kunnen zijn voorgekomen. De meest veranderde omgevigsfactor is waarschijnlijk het stikstofgehalte: dat zal in het verleden niet zo hoog zijn geweest als nu onder invloed van de intensieve landbouw het geval is.
De verbinding met de beek leidt tot een instabiel systeem met planten van (extreem) voedselrijk water of een door algengroei troebele waterkolom. In het heldere water van het Kwelven groeit daarentegen een -tot heden!- geleidelijk veranderende vegetatie met planten van zwak gebufferd tot hard waterplanten. De soorten indiceren matig voedselarm tot voedselrijk water. Sommige soorten, waaronder een kranswier en verscheidene Fonteinkruid-soorten en -hybriden zijn uniek voor de regio en ver daarbuiten. Het geheel is een van de soortenrijkste laagveen-plassen van ons land.
Het lijkt onmogelijk te voorspellen hoe het Kwelven zich gaat ontwikkelen. Er is een flinke biomassa. 1995 was een jaar met veel draadwieren, in 1996 veel minder en 1997 weer meer. Nemen ooit draadwieren de zaak over, of nemen zwevende algen het voedsel en licht op, zodat er geen bodemwortelaars kunnen groeien?
Uiteraard zijn er meer van deze moerassen aan de rand van Peel die minder zuur zijn dan de Peel zelf. Mogelijk krijgen zij na uitbaggeren een vergelijkbare bijzondere pioniersituatie als het Kwelven.
Het in tweeën delen van het ven was bedoeld als een experiment om de invloed van verschillende watertypen in het ven waar te nemen. Dit experiment mag geslaagd heten: tegenover een soortenrijke watervegetatie in het Kwelven staat een instabiele, soortenarme, bij tijden stinkende toestand in het Beekven. Ook didactisch is het experiment verantwoord: je kunt laten zien wat er gebeurt als voedselrijk beekwater komt stil te staan. Willen we het experiment 'verbonden met de beek' echt nog langer aanzien? Is het argument dat het een goede paaiplaats voor vis is, voldoende?
Het aardigste aan het Beekven is de oevervegetatie. Die gaat verloren als het waterschap andere belangen voor laat gaan en 'dus' de waterstand in de zomer verhoogt. Het afsluiten van de verbinding met de beek vergroot de kans op een veel fraaiere water- en oevervegetatie. In elk geval moet voorkomen worden dat water/slib/planten van het Beekven in het Kwelven komen, dus niet 'zo maar' de dam doorsteken. Indien er geld voor beschikbaar is, heeft het zin de bodem van het Beekven uit te baggeren na isolatie van de beek. Het lijkt het meest wijs om, ook na deze maatregelen, pas na enige jaren een kleine verbinding te maken tussen het Beekven en het Kwelven.
De oever van het Kwelven is eigenlijk maar smal: direct erachter liggen de restanten van het grote zeggen-moeras annex uitgekapt elzenbroek. Op dit moment is deze plek een ruigte met alledaagse soorten. Het komt ons voor dat daar, met al die mooie kwel, iets interessanters van te maken is, vergelijkbaar met het moeras in de Grote Moost op kanaalkwel of met de oevervegetatie van de Broekse Wielen. Bovendien zou een lagere vegetatie in de omgeving grote voordelen voor het ven kunnen hebben: minder bladinwaai en meer windwerking.
Wij hebben geen idee hoe kwetsbaar het Kwelven is voor verstoring. Het huidige evenwicht is er een met grote helderheid van de waterkolom en hoge produktie. Verstoring van dit evenwicht zou kunnen komen van bij voorbeeld (illegaal) vis uitzetten. Ook zijn wij huiverig voor het idee om het ven op te nemen in de begrazing van de omgeving, ondanks dat extensieve begrazing dichtgroeien kan voorkomen. De veebezetting wordt doorgaans afgestemd op de te beheren landvegetatie, maar zou in dit geval ook moeten worden afgestemd op de gevolgen voor het water. De verhouding tussen het aantal stuks vee en het beschikbare water is al snel zo, dat openstelling leidt tot eutrofiëring en (te vaak) opwervelen van bodemslib.
Bij het traditioneel beheer van een dergelijke laagveenplas hoorde het periodiek gebruik van de biomassa voor agrarische doelstellingen: bemesten van omliggend land met bagger en biomassa. Is een moderne variant -maaien en afvoeren van waterplanten- zinnig en haalbaar? Bij tijden liggen er in het water en op de oevers enorme massa's draadalgen en soms ook oeverplanten waarvan de wortels zijn opgegeten. Als deze afstervende biomassa een aanzienlijke bijdrage aan de voedselrijkdom van het systeem betekent, zou het goed zijn ze in de winter te verwijderen.
Ons onderzoek is beperkt van opzet: goed zichtbare planten en een eerste aanzet tot fysisch/chemische metingen. Er zijn veel meer aspecten aan dit ven, interessant voor wetenschap en beheer. Zo zou onderzoek gedaan moeten worden aan de kwantiteit en kwaliteit van de kwel. Bovendien is van belang welke aan- en afvoer en opslag van voedingsstoffen er plaats vindt. Om een beter idee over de standplaats van Chara major te krijgen zou het zin hebben om het voorkomen in verschillende biotopen met elkaar te vergelijken: naast duinplassen ook laagveenplassen en petgaten (bij voorbeeld in het Labbegat in Noord-Brabant, de Wieden in Overijssel), kalkmoerassen (bijvoorbeeld in het Buitengoor bij Mol, zie o.a. Boeye en Verheyen, 1992). Ook interessant is het gedrag van de Potamogeton-hybriden: een tweetal is na korte tijd -en tegelijkertijd- verdwenen, de derde (Potamogeton zizii) is nog steeds vitaal aanwezig.
Tenslotte bevelen wij aan om andere kansrijke plaatsen aan de rand van de Peel te zoeken (bij voorbeeld het Stramprooier Broek, de Moeselpeel en 't Molentje bij Neerkant) en daar vergelijkbare maatregelen te treffen. De schatkamer die de omgeving van Weert ooit was, valt niet te reconstrueren, maar blijkbaar is het mogelijk om iets van de oude 'fine fleur' (Wilde Planten, deel 3) te voorschijn te brengen.
Onze dank gaat uit naar A.L.F. van den Eijnde (voormalig beheerder) voor het gebruik van dia's, naar Jan Simons voor het analyseren van een grondmonster en naar hiervoor genoemden + Emiel Brouwer, Piet van den Munckhof, Joop van Raam en Bart van Tooren voor hun vele waardevolle commentaar op eerdere versies.
* Bloemendaal,F.H.J.L. & J.G.M.Roelofs (red.) (1988).
Waterplanten en waterkwaliteit. Natuurhistorische bibliotheek nr
45 van de Koninklijke Natuurhistorische Vereniging, Utrecht.
* Boeye,D. & R.F.Verheyen (1992). The hydrological balance of
a groundwater discharge fen. Journal of hydrology, 137,
p.149-363. Elsevier Scientific Publishers B.V., Amsterdam
* Bruinsma,J. & E. Nat (1996). Kranswieren in Limburg; een
voorlopig overzicht. Natuurhistorisch Maandblad 85-7/8,p.155-160.
* Cortenraad,J. & T.Mulder (1998). Actualisering van de lijst
van bedreigde planten in Limburg. Natuurhistorisch Maandblad
87/7, p.161-170.
* Hutchinson,G.E. (1975). A treatise on limnology. Volume III:
Limnological botany. John Wiley & Sons, New
York/London/Sydney/Toronto.
* Lyon,M.H.J.de & J.G.M.Roelofs (1986). Waterplanten in
relatie tot waterkwaliteit en bodemgesteldheid; deel 1.
Laboratorium voor Aquatische Oecologie, Katholieke Universiteit
Nijmegen, Nijmegen.
* Meijden,R.van der, W.J.Holverda & H.Duistermaat (1996).
Nieuwe vondsten van zeldzame planten in 1993, 1994 en (ten dele)
1995. Gorteria, 22 nr 2/3.
* Meijden,R.van der, C.L.Plate & E.J.Weeda (1989). Atlas van
de Nederlandse flora, deel 3. Rijksherbarium/Hortus Botanicus,
Leiden.
* Mennema,J.,A.J.Quené-Boterenbrood&C.L.Plate(red)(1980).
Atlas van de Nederlandse flora, deel 1. Kosmos, Amsterdam.
* Mennema,J., A.J.Quené-Boterenbrood & C.L.Plate (1985).
Atlas van de Nederlandse flora, deel 2. Bohn, Scheltema &
Holkema, Utrecht.
* Ploeg,D.T.E.van der (1990). De Nederlandse breedbladige
fonteinkruiden. Wetenschappelijke Mededeling KNNV nr.195.
Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische
Vereniging, Utrecht.
* Nat,E. et al. (1994). Historisch en actueel verspreidingsbeeld
van Kranswieren in Nederland in samenhang met
waterkwaliteitsfactoren. Watersysteemverkenningen 1996. RIZA
werkdocument 94.148X, Lelystad + Vakgroep Oecologie en
Oecotoxologie, Vrije Universiteit, Amsterdam
* Pardey,A. (1992). Vegetationsentwicklung kleiflächiger
Sekundärgewässer. Untersuchungen zur Flora, Vegetation und
Sukzession von Kleingewässerneuanlagen unter Berücksichtigung
der Standortverhältnisse in Norddeutschland. Dissertationes
botanicae, band 195. J.Cramer, Berlin-Stuttgart.
* Ploeg,D.T.E.van der (1990). De Nederlandse breedbladige
fonteinkruiden. Wetenschappelijke Mededeling KNNV nr.195.
Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische
Vereniging, Utrecht.
* Raam,J.C.van, et al. (1998). Handboek kranswieren. Chara boek,
Hilversum.
* Rensen-Bronkhorst,R. (red.) (1993). Atlas van de Flora van
Eindhoven 1980-1989. KNNV afdeling Eindhoven, Eindhoven.
* Schaminée,J.H.J.,E.J.Weeda & V.Westhoff(1995).
Plantengemeenschappen wateren, moerassen en natte heiden; de
vegetatie van Nederland, deel 2. Opulus Press, Uppsala-Leiden.
* Weeda,E.J., R.van der Meijden & P.Bakker (1990).
FLORON-Rode Lijst 1990. Gorteria 16 (1990) p. 2-26.
* Westhoff,V.et al.(1973). Wilde planten. Deel 3: de hogere
gronden. Vereniging tot behoud van natuurmonumenten,
's-Graveland.
Links

Tabel 1.
Watervegetatie Roukespeelven, 1994-1998 + indicatiewaarden
volgens De Lyon en Roelofs 1986
| beekven
|
kwelven |
|||||||||||||||||||
| Opnamenummer |
6 |
10 |
14 |
17 |
21 |
24 |
26 |
28 |
|
|
4 |
8 |
12 |
16 |
19 |
22 |
23 |
25 |
27 |
|
| Jaar
19.. |
94 |
95 |
95 |
96 |
96 |
97 |
97 |
98 |
98 |
|
94 |
95 |
95 |
96 |
96 |
97 |
97 |
98 |
98 |
|
| Maand |
08 |
06 |
09 |
06 |
08 |
06 |
08 |
06 |
08 |
|
09 |
06 |
09 |
06 |
08 |
06 |
08 |
06 |
08 |
|
| Dag |
29 |
08 |
04 |
07 |
16 |
17 |
13 |
23 |
27 |
|
05 |
08 |
04 |
07 |
16 |
17 |
13 |
23 |
27 |
|
| Bed.
totaal (%) |
70 |
60 |
80 |
80 |
90 |
1 |
5 |
0 |
1 |
|
70 |
90 |
95 |
95 |
95 |
99 |
100 |
90 |
95 |
|
| Bed.
helofyten (%) |
1 |
1 |
0 |
1 |
0 |
1 |
0 |
0 |
1 |
|
1 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
1 |
1 |
|
| Bed.
drijflaag (%) |
1 |
1 |
0 |
1 |
10 |
0 |
3 |
0 |
0 |
|
5 |
5 |
5 |
20 |
10 |
40 |
20 |
15 |
15 |
|
| Bed.
onderwaterlaag (%) |
70 |
60 |
80 |
80 |
90 |
1 |
2 |
0 | 0 |
70 |
90 |
95 |
95 |
95 |
90 |
90 |
90 |
95 |
||
| Aantal
soorten |
10 |
10 |
11 |
13 |
11 |
8 |
8 |
0 |
2 |
27 | 23 | 17 | 17 | 18 | 16 | 15 | 18 | |
||
| beekven | kwelven | ||||||||||||||||||
| Opnamenummer | 6 | 10 | 14 | 17 | 21 | 24 | 26 | 28 | 4 | 8 | 12 | 16 | 19 | 22 | 23 | 25 | 27 | ||
| Jaar 19.. | 94 | 95 | 95 | 96 | 96 | 97 | 97 | 98 | 98 | 94 | 95 | 95 | 96 | 96 | 97 | 97 | 98 | 98 | |
| Maand | 08 | 06 | 09 | 06 | 08 | 06 | 08 | 06 | 08 | 09 | 06 | 09 | 06 | 08 | 06 | 08 | 06 | 08 | |
| Dag | 29 | 08 | 04 | 07 | 16 | 17 | 13 | 23 | 27 | 05 | 08 | 04 | 07 | 16 | 17 | 13 | 23 | 27 | |
| Bed. totaal (%) | 70 | 60 | 80 | 80 | 90 | 1 | 5 | 0 | 1 | 70 | 90 | 95 | 95 | 95 | 99 | 100 | 90 | 95 | |
| Bed. helofyten (%) | 1 | 1 | 0 | 1 | 0 | 1 | 0 | 0 | 1 | 1 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 1 | 1 | |
| Bed. drijflaag (%) | 1 | 1 | 0 | 1 | 10 | 0 | 3 | 0 | 0 | 5 | 5 | 5 | 20 | 10 | 40 | 20 | 15 | 15 | |
| Bed. onderwaterlaag (%) | 70 | 60 | 80 | 80 | 90 | 1 | 2 | 0 | 0 | 70 | 90 | 95 | 95 | 95 | 90 | 90 | 90 | 95 | |
| Aantal soorten | 10 | 10 | 11 | 13 | 11 | 8 | 8 | 0 | 2 | 27 | 23 | 17 | 17 | 18 | 16 | 15 | 18 | 17 | |
¦ PO4- PO4- NO3- alk- alk- Fe-
¦ wat. bod. wat. wat. b.w. bod.
| Potamogeton pusillus | . | 3 | 4 | 5 | 2 | 1 | 2 | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | 2,9 | 14,4 | ind | 3,0 | 13,2 | 235 | Tenger fonteinkruid | ||
| Ceratophyllum demersum | 1 | 2 | 3 | 1 | 3 | 1 | 2 | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | 5,3 | 15,1 | 19,6 | 3,4 | 9,8 | 227 | Grof hoornblad | ||
| Callitriche platycarpa | . | 2 | . | . | 1 | 1 | 1 | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | 0,9 | 15,3 | ind | 3,4 | ind | 205 | Gewoon sterrekroos | ||
| Hydrodictyon reticulatum | 1 | 7 | . | . | . | . | 7 | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | Waternetje | ||
| Elodea nuttalli | 8 | 4 | 9 | 8 | 8 | 2 | 3 | . | . | 2 | 2 | 2 | 4 | 4 | 5 | 4 | 4 | 4 | 1,7 | 12,5 | ind | 2,8 | ind | 201 | Smalle waterpest | ||
| Lemna minor | 2 | 2 | 3 | 2 | 6 | 1 | 2 | . | . | 3 | 2 | 2 | . | 2 | 1 | 2 | 1 | 2 | 1,2 | 12,3 | ind | 2,5 | ind | ind | Klein kroos | ||
| Draadwier | 8 | 9 | 4 | 9 | 8 | 3 | 5 | . | . | . | 8 | 8 | 7 | 4 | 8 | 6 | 7 | 2 | 4,8 | 9,9 | 9,0 | 3,7 | 12,1 | ind | Draadwier | ||
| Eleocharis acicularis | 5 | . | . | 6 | 2 | 2 | . | . | . | 2 | 2 | . | 2 | 4 | 5 | 7 | 4 | 3 | 0,4 | 6,8 | ind | 1,1 | 3,1 | ind | Naaldwaterbies | ||
| Callitriche species | 2 | 2 | 2 | . | . | . | . | . | . | 2 | 2 | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | Sterrekroos (G) | ||
| Eleocharis palustris s. pal. | 2 | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | 1 | . | . | 2 | 2 | . | . | 9,6 | . | ind | 77 | Gewone waterbies | ||
| Carex rostrata | . | . | . | 2 | . | . | . | . | 2 | . | . | . | 1 | 1 | . | . | 2 | 2 | . | . | ind | 0,3 | 0,6 | 52 | Snavelzegge | ||
| Myriophyllum spicatum | . | . | 2 | 2 | 3 | . | . | . | . | . | . | 2 | . | . | . | . | . | . | 4,2 | 13,3 | 8,9 | 3,5 | 16,0 | 248 | Aarvederkruid | ||
| Chara globularis v.globularis | . | . | . | . | . | . | . | . | . | 7 | 5 | 7 | 7 | 7 | 7 | 6 | 6 | 8 | 0,3 | 5,4 | 8,9 | 1,7 | ind | 73 | Breekbaar kransblad | ||
| Chara globularis v.virgata | . | . | . | . | . | . | . | . | . | 7 | 5 | 7 | 7 | 7 | 7 | 6 | 6 | 5 | . | . | . | . | . | . | Teer kransblad | ||
| Chara major | . | . | . | . | . | . | . | . | . | 7 | 6 | 7 | 7 | 7 | 7 | 7 | 8 | 8 | 0,0 | 5,5 | 0,7 | 2,7 | 10,4 | 56 | Stekelharig kransblad | ||
| Potamogeton gramineus | . | . | . | . | . | . | . | . | . | 7 | 7 | 7 | 7 | 7 | 5 | 5 | 3 | 5 | 0,0 | 5,2 | 10,2 | 1,8 | 7,3 | 63 | Ongelijkbladig fonteinkruid | ||
| Potamogeton lucens | . | . | . | . | . | . | . | . | . | 5 | 5 | 5 | 4 | 5 | 4 | 3 | 3 | 5 | 2,4 | 14,5 | ind | 3,0 | 16,8 | 312 | Glanzig fonteinkruid | ||
| Potamogeton natans | . | . | 1 | . | . | . | . | . | . | 7 | 7 | 8 | 7 | 8 | 8 | 7 | 8 | 8 | . | . | ind | 1,3 | 3,2 | ind | Drijvend fonteinkruid | ||
| Potamogeton x zizii | . | . | . | . | . | . | . | . | . | 5 | 5 | 5 | 5 | 5 | 7 | 7 | 7 | 7 | . | . | . | . | . | . | Gegolfd fonteinkruid | ||
| Potamogeton acutifolius | . | . | . | . | . | . | . | . | . | 3 | 3 | 4 | 2 | 2 | 5 | 1 | 4 | 6 | 0,4 | 15,2 | 4,5 | 2,3 | 4,9 | 274 | Spits fonteinkruid | ||
| Myriophyllum alterniflorum | . | . | . | . | . | . | . | . | . | 2 | 2 | 3 | 4 | 3 | 5 | 6 | 4 | 4 | 0,0 | 12,4 | 118,5 | 0,7 | 3,2 | 101 | Teer vederkruid | ||
| Ranunculus peltatus | . | . | . | . | . | . | . | . | . | 2 | 3 | 2 | 4 | 3 | 3 | 3 | 1 | . | 0,7 | 17,9 | ind | 0,7 | 1,8 | 97 | Grote waterranonkel | ||
| Gloeotrichia pisum | . | . | . | 4 | . | . | . | . | . | . | . | 8 | . | 5 | 5 | 3 | . | . | . | . | . | . | . | . | Algenbollen | ||
| Potamogeton obtusifolius | . | . | . | . | . | . | . | . | . | 6 | 3 | . | . | 1 | . | . | . | . | 0,2 | 5,2 | 12,4 | 1,4 | 2,3 | 75 | Stomp fonteinkruid | ||
| Potamogeton x fluitans | . | . | . | . | . | . | . | . | . | 5 | 3 | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | Vlottend fonteinkruid | ||
| Nitella flexilis | . | . | . | . | . | . | . | . | . | 5 | 1 | . | . | . | . | . | . | . | 1,8 | 4,1 | 53,0 | 1,1 | 3,2 | 46 | Buigzaam glanswier | ||
| Potamogeton x sparganifolius | . | . | . | . | . | . | . | . | . | 3 | 4 | 4 | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | Drijvend x Ongelijkbladig fo | ||
| Juncus bulbosus | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | 6 | . | 4,9 | ind | 0,3 | 1,1 | 47 | Knolrus | ||
| Nitella translucens | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | . | 1 | . | 2 | 3 | . | . | . | . | . | . | Doorschijnend glanswier |
In drie of minder opnames, en dan in kleine aantallen komen voor:
Beekven : Alisma plantago-aquatica 6-'96:1; Callitriche obtusangula 6-'95:2; 6-'97:1; Elodea canadensis 6-'95:3, 9-'95:3, 8-'96:1; Lemna trisulca 8-'97:1; Mentha aquatica 6-'96:2; Phragmites australis 6-'96:2, 8-'98:2; Ranunculus sceleratus 6-'96:3; Riccia fluitans 9-'95:2; 8-96:1; Schoenoplectus lacustris 8-'94:2; Sparganium emersum 9-'95:2; Spirodela polyrhiza 8-'96:1; Typha latifolia: 8-'94:2.
Kwelven : Alisma plantago-aquatica 9-'94:3, 6-'96:1; Alopecurus aequalis 6-'96:1; Calliergonella cuspidata 6-'95:2; Callitriche hamulata 9-'94:1; Hottonia palustris 9-'94:1; Iris pseudacorus 6-'96:1; Potamogeton berchtoldii 9-'94:1, 6-'95:1; Potamogeton crispus 9-'94:1; Potamogeton polygonifolius 9-'94:2; 6-'95:2; Potamogeton trichoides 6-'94:1; Salix fragilis 9-'95:1; Salix species 9-'94:1; Sparganium emersum 9-'94:2, 6-'98:1; Typha latifolia 9-'94:2. Ook juli 1995 -die dag geen opnames gemaakt- is Sagittaria sagittifolia waargenomen: 2.
toelichting
Gedecimaliseerde Tansley-schaal:
1=r: zeldzaam/rare; 2=s: schaars-zeer verspreid/scarce; 3=o: hier
en daar/occasional; 4=lf: plaatselijk frekwent/locally frequent;
5=f:frekwent/frequent; 6=la: lokaal zeer veel/locally abundant;
7=a: zeer veel/abundant; 8=cd: co-dominant/co-dominant;
9=d:dominant/dominant.
PO4-wat = mediaan fosfaatgehalte in de waterlaag bij voldoende
aanwezigheid van andere nutriënten (tabel 37+38)
PO4-bod = gewogen gemiddelde fosfaatgehalte van de bodem (µmol/l
DW) (tabel 36)
NO3-wat = gewogen gemiddelde nitraat in de waterlaag (tabel 39)
Alk-wat = alkaliniteit van de waterlaag, meq/l (tabel 3)
Alk-bod = alkaliniteit van het bodemwater, meq/l (tabel 4)
Fe -bod = ijzergehalte van de bodem, µmol/d DW (tabel 29)
ind = indifferent, geen indicatiewaarde
tabelnummer verwijst naar De Lyon en Roelofs 1986
Tabel 2.
Resultaten van eenvoudige abiotische waarnemingen, 1994-1998
| |
EGV |
pH |
doorzicht
cm |
peil |
| Kwelven
|
|
|
|
|
| september
1994 |
270 |
7.9 |
>bodem |
44 |
| juni
1995 |
170 |
9.1 |
>bodem |
63 |
| juli
1995 |
|
|
|
44 |
| september
1995 |
180 |
8.3 |
bodem |
17 |
| april
1996 |
|
|
100 |
41 |
| juni
1996 |
140 |
8.8 |
>bodem |
31 |
| augustus
1996 |
170 |
7.5 |
>100 |
23 |
| september
1996 |
|
|
|
42 |
| juni
1997 |
|
|
>bodem |
60 |
| augustus
1997 |
170 |
8.2 |
>bodem |
46 |
| juni
1998 |
220 |
7.7 |
bodem |
73 |
| augustus
1998 |
180 |
7.2 |
>bodem |
47 |
Beekven
Links
| september
1994 |
400 |
7.9-8.5 |
>
100 |
| juni
1995 |
160 |
7.8 |
80 |
| september
1995 |
370 |
7.2 |
>100 |
| juni
1996 |
260 |
9.0 |
>bodem |
| augustus
1996 |
320 |
7.8 |
80 |
| juni
1997 |
het
water van het Beekven stinkt naar verrotting |
||
| augustus
1997 |
380 |
7.4 |
20 |
| juni
1998 |
340 |
7.1 |
20 |
| augustus
1998 |
310 |
7.1 |
20 |
Dijkerpeellossing
| september
1994 |
440 |
7.5 |
| augustus
1997 |
270 |
7.2 |
| augustus
1998 |
350 |
6.8 |
Leukerbeek
| september
1994 |
480 |
7.2 |
| augustus
1997 |
360 |
7.2 |
| juni
1998 |
350 |
6.6 |
Tabel 3.
Concentraties van verschillende in de bodem van het Roukespeelven
aanwezige elementen en nutriënten; alle concentraties in
µmol/gram drooggewicht
| |
Na |
K |
Ca |
Mg |
Fe |
Mn |
Tot-N |
Tot-P |
| 1995-major |
2 |
16 |
16 |
20 |
45,7 |
0,6 |
- |
2 |
| 1998-major |
7,7 |
39,3 |
32,7 |
30,4 |
83,8 |
1,1 |
114 |
8,0 |
| 1998-trans |
2,9 |
25,8 |
18,4 |
23,3 |
56,6 |
0,7 |
35,7 |
2,8 |
Toelichting.
1995-major': monster op 18 juli 1995 op een plek waar Chara major dominant was. '1998-major' dito op 3 maart 1998. '1998-trans' op de plek met veel Nitella translucens 3 maart 1998.
Tabel 4. Verscheidene
parameters van het water uit het Kwelven. Concentraties in
µmol/l, alkaliniteit in meq/l
| pH |
Alk |
EGV |
Na |
K |
Ca |
Mg |
Cl- |
NH4 |
NO3- |
SO4- |
| 7,2 |
2 |
206 |
721 |
10 |
589 |
175 |
526 |
4 |
86 |
83 |
Tabel 5. Zeldzame
en/of bedreigde soorten in het Roukespeelven
| |
AnVLi |
nV
ed |
RLLi |
RLNed |
toelichting |
| Potamogeton
x zizii |
1 |
4 |
1 |
4 |
|
| Potamogeton
x sparganifolius |
2 |
6 |
1 |
- |
inmiddels
ook gezien in de Banen en in de Schoorkuilen,
Weert-Eind (Emiel Brouwer) |
| Potamogeton
x fluitans |
1 |
13 |
1 |
- |
de
meeste vindplaatsen in Friesland en de kop van Overijssel |
| Potamogeton
acutifolius |
3 |
|
1 |
- |
algemener
in West-Nederland en Oost-Friesland |
| Potamogeton
obtusifolius |
4 |
|
1 |
- |
tamelijk
algemeen in West-Nederland, Friesland en de Kop van
Overijssel |
| Potamogeton
gramineus |
7 |
|
2 |
3 |
tamelijk
zeldzaam in Oost-Friesland en de Kop van Overijssel |
| Potamogeton
polygonifolius |
27 |
|
3 |
3 |
meest
in de duinen en op het pleistoceen; daar vooral in
bovenlopen van beken en poelen op kwelplekken |
| Potamogeton
berchtoldii |
|
|
1 |
- |
in
Atlas van Nederland geen opgaven in verband met de
verwarring met P.pusillus. |
| Potamogeton
lucens |
7 |
|
1 |
- |
in
Nederland als geheel niet zeldzaam |
| Potamogeton
obtusifolius |
3 |
1 |
1 |
- |
in
Nederland als geheel tamelijk algemeen; derde vondst in
Limburg; Rode Lijst Limburg 1 |
| Myriophyllum
alterniflorum |
7 |
36 |
1 |
2 |
|
| Chara
major |
3 |
|
|
- |
buiten
de duinen en laagveenplassen in West- en
Noord-Nederland zeer zeldzaam |
| Nitella
translucens |
3 |
±40 |
|
3 |
ook
in de Banen en de Schoorkuilen, Weert-Eind). Landelijk
lang zeldzaam geweest; recent het meest gevonden in
uitgebaggerde vennen met zwak gebufferd water, ook
wel op kwelplekken aan de rand van het pleistoceen |
| Callitriche
hamulata |
|
|
2 |
- |
landelijke
zeldzaamheid onbekend in verband met verwarring met
andere soorten |
| Carex
rostrata |
|
|
3 |
- |
landelijk
algemeen, vooral op het pleistoceen |
| Ceratophyllum
demersum |
|
|
|
2 |
landelijk
algemeen; alleen in het Beekven |
| Elodea
canadensis |
|
|
3 |
- |
deze
ooit als ernstige waterpest begonnen soort is op zijn
retour; alleen in het Beekven |
| Hottonia
palustris |
|
|
3 |
- |
landelijk
gezien algemeen |
| Lemna
trisulca |
|
|
3 |
- |
Rode
Lijst Limburg 3; ook in de omgeving van Eindhoven op de
Rode Lijst geplaatst (Rensen-Bronkhorst, 1993); Alleen
in het Beekven |
| Myriophyllum
spicatum |
|
|
3 |
- |
landelijk
algemeen |
| Schoenoplectus
lacustris |
|
|
3 |
- |
landelijk
algemeen; alleen in het Beekven. |
hier staat het kaartje van het ven.Fig.1 De ligging van het ven in Nederland
Fig.2 Kaart van het ven
Fig. 3 Het ven aan het begin van de werkzaamheden: dicht begroeid met riet; zomer 1993. Foto A.L.F van den Eijnde, Natuurmonumenten.
Fig. 4. Het ven vult zich langzaam weer met water; oktober 1993. Foto A.L.F van den Eijnde, Natuurmonumenten.
Het document is eerder verschenen in Natuurhistorisch maandblad, zie ook de website van dit blad. Helaas ben ik op dit moment dit exemplaar kwijt.
|
|